EVADIO

Thuisverhalen

Inleiding

Tegen het einde van de 20e eeuw schreef een geestesleerling, een mens op het pad van haar spirituele ontwikkeling, een aantal verslagen voor haar meester. Kort geleden kwamen die bij mij terecht met de vraag of ik ze digitaal beschikbaar wilde maken. In principe wilde ik dat wel, want ze bleken te gaan over astrale reizen en in feite spelen ze zich af in en om de aarde tot op de maan, dus ze omvatten aardig de ruimte van het grote internet. Wel zijn ze op het innerlijke pad begaan en ze zijn allemaal gedaan in de herfst en de winter, wat te merken zal zijn aan het intieme mee beleven van de aarde. Je ervaart dan iets van het leven van de aarde zelf, terwijl het internet juist via toetsenborden en ethergolven verloopt en misschien heel andere zaken mee beleeft. Beide paden onzichtbaar en thuis begaan, misschien toch ergens ook verwant?

Ik heb de verslagen gesorteerd. Eerst komen zeven berichten van de eerste stappen op deze weg van het reizen met de ziel, het bewustzijn. De leerlinge had vooral de school van de antroposofie gevolgd, maar ook andere. Een prachtige Indonesische luchtgeest van balsahout, in heel zachte indigotinten, met hier en daar wat goud, verbeelde voor de leerlinge de ziel zelf. Dit aan een draad hangende beeldje heeft het onderlijf van een vis en het bovenlijf van een vrouw, met grote vogelvleugels, die met haar armen vergroeid zijn. Het past heel goed bij de situatie van de vrij vliegende ziel, die zich spiegelt in een deel van het etherische dubbel (levenslichaam) van de mediterende leerling. De vogel komt zich spiegelend in de vis tegen in de wijsheid van het vrij wordende vrouwelijke bewustzijn. Het is me opgevallen, dat ze er voor zorgt aan het eind van elke reis weer uit te komen op de plek waar ze begon.

De reizen zijn ingebed in een ritueel van een zich verbinden met de vier windstreken en de vier elementen en het midden, dat met de hemel en de aarde verbonden is. Het begin is ontleend aan gewoontes van Indianen, maar het wordt vervolgd met behulp van teksten van Rudolf Steiner, die niet alleen met de elementen maar ook met de dirigerende krachten van verschillende engelen daarachter verbinden.

I Kinderrijmpje

Het is nacht, de hemel is grijs en donker en het regent. Ik ben een oud vrouwtje en draag een zware zak; ik loop op klompen op een weg van keien, met bomen in de bermen. De keien zijn bedekt met slijk. Ik val niet, maar ben koud en nat. met een stok in mijn vrije hand probeer ik mijn varken naar huis te drijven. Het lukt niet erg – tot ik opeens besef dat ik dat vrouwtje ben van het rijmpje dat ik als kind al zo vaak hoorde en later aan mijn eigen kinderen vertelde.
Zodra ik dat besefte, sprong ik op de rug van het varken en droeg in plaats van de zak een dikke takkenbos. Het varken schoot als een pijl uit de boog vooruit en stond vóór ik het wist in de stal, waar ik haar vers stro gaf. De koe dronk water en de takkenbos sprong vanzelf in de grote open haard. De muis had het touw van de koe doorgeknaagd, dus ik zette een muizenval. Ik begon als een gek te vegen, als een opwindpoppetje dat afloopt en ondertussen kookte de soep zich zelf en stonden brood en koffie klaar. Eerst at ik de soep en toen brood met kaas en ik dronk koffie. Ik zat heerlijk bij de haard, toen de hond me opeens aan mijn jak trok. Ach ja! Ik had de hond vergeten...ik ging gauw met hem naar de keuken, waar hij me op de kat wees. Ach ja, dat was ook dom van mij, de kat ving immers de muis. Ik haalde gauw de muizenval weg. De hond gaf ik eten en ik dacht: nu is alles voor elkaar. Ik ging weer bij de haard zitten.
Opeens kwam vanuit de schoorsteen een tovenaar beneden, terwijl ik een heks of een tovervrouwtje bleek te zijn. Hij was van een ijle substantie, als een hologram, maar wel exact mijn spiegelbeeld. Hij kwam tegen me aan en bij alles wat ik deed had ik continu een spiegel naast me, bijvoorbeeld toen ik het lege bord en het kopje terugbracht naar de keuken. Echt alsof ik verdubbeld was. 'Begrijp je het niet? Ik ben je etherlichaam, zei hij, – Dit rijmpje, waarin alles steeds herhaald wordt en tenslotte achterstevoren gaat is een soort etherlichaam – toverspreuk. Wist je dat heus niet'? Ondertussen waren we samen gaan dansen. Hij vertelde, dat het dankzij hem was dat ik me zo los en jong en licht kon voelen. Terwijl we draaiden en wervelden zei hij dat hij een soort schroef was, die mijn ziel vasthield in mijn stoffelijke lichaam. Als je als ziel vrij wilt gaan, wervel je er zo wat makkelijker uit. Daarom is dat rijmpje ook zo ideaal om aan een kindje te vertellen voor het gaat slapen. 'Maar ben je een man'? Vroeg ik. 'Natuurlijk, jij bent toch een vrouw'? Daarom konden we dus zo fijn samen dansen. Hij zei dat ik pas samen met hem een heel mens kon zijn en ik voelde me zo gelukkig als een vrouw van vlees, dansend met een man van geest in een huis met een vuur, een kat, een hond, een muis, een koe, een varken en water en een stok. 'Ik moet terug', zei ik. Hij ging mee, dansend, later langzaam met me versmeltend, waarbij ik steeds trager, stijver en ouder werd, tot ik weer het oude kromme wijfje was op de vette hobbelige keien, nat en koud in de regen.

[ Dit is het kinderrijmpje:
Er was eens een oud vrouwtje,
dat veegde de vloer van de stal.
Zij vond er een koperen munt
en ging ermee naar de markt.
Ze kocht er een dik vet varken,
maar het varken wou niet naar huis toe lopen.
Toen ging ze naar de hond:
Hond wil jij varken bijten? Want varken wil niet naar huis toe lopen.
-Nee, zei de hond. Toen ging ze naar de stok:
Stok, wil jij hond slaan? Want hond wil niet varken bijten en varken wil niet naar huis toe lopen.
-Nee, zei de stok. Toen ging ze naar het vuur:
Vuur, wil jij stok branden? Want stok wil niet hond slaan, hond wil niet varken bijten en varken wil niet naar huis toe lopen.
-Nee, zei het vuur. Toen ging ze naar het water:
Water, wil jij vuur blussen? Want vuur wil niet stok branden, stok wil niet hond slaan, hond wil niet varken bijten en varken wil niet naar huis toe lopen.
-Nee, zei het water. Toen ging ze naar de koe:
Koe, wil jij water drinken? Want water wil niet vuur blussen, vuur wil niet stok branden, stok wil niet hond slaan, hond wil niet varken bijten en varken wil niet naar huis toe lopen.
– Nee, zei de koe. Toen ging ze naar het touw:
Touw, wil jij koe binden? Want koe wil niet water drinken, water wil niet vuur blussen, vuur wil niet stok branden, stok wil niet hond slaan, hond wil niet varken bijten en varken wil niet naar huis toe lopen.
-Nee, zei het touw. Toen ging ze naar de muis:
Muis, wil jij touw knagen? Want touw wil niet koe binden, koe wil niet water drinken, water wil niet vuur blussen, vuur wil niet stok branden, stok wil niet hond slaan, hond wil niet varken bijten en varken wil niet naar huis toe lopen.
-Nee, zei de muis. Toen ging ze naar de kat:
Kat, wil jij muis vangen, want muis wil geen touw knagen, touw wil niet koe binden, koe wil niet water drinken, water wil niet vuur blussen, vuur wil niet stok branden, stok wil niet hond slaan, hond wil niet varken bijten en varken wil niet naar huis toe lopen.
Ja, zei de kat. En kat ving de muis, muis knaagde touw, touw bond koe, koe dronk water, water bluste vuur, vuur brandde stok, stok sloeg de hond, hond beet het varken en het varken rende heel heel hard naar huis.]

II Heksendans

Voor me een hoge oude stenen muur. Als mijn blik er langs omhoog glijdt zie ik de hemel donkerblauw worden en daarin het silhouet van een heks op een bezemsteel. Ze zweeft langzaam. Ik stijg ook op (ken dat nu), schrijlings op mijn bezem. We gaan naar een klein eilandje in een groot meer of binnenzee. Daar zijn we met een groep heksen. We leggen vuren aan in een vrij grote kring. Dan gaan we dansen op de muziek die ontstaat uit het ruisen der golven, het knetteren van het vuur, het zingen van de wind en de steeds duidelijker hoorbare zachte maar dwingende sterrenklanken. Ik zie, dat we geen lichamen hebben maar bestaan als silhouet, als ziel. We verenigen ons met elkaar en met de elementen in onze dans, die de hele nacht door duurt. Dan doven we de vuren. Het wordt gauw licht. We geven elkaar allemaal tegelijk de hand, dat wil zeggen van onze hele groep leggen we alle rechterhanden op elkaar. Daarbij kijken we elkaar diep aan en floep – vliegen terug. Juist als de zon zal opkomen ben ik weer bij de oude stenen muur.

III Kind, vis en vogel

Als een klein meisje zit ik op het smalle strand. Rechts is een weiland met witte menhirs. Links staan zwarte rotsen in de zee. Nooit zag ik zulk helder water. Er zwemmen kleurige visjes. Ik pak een roze visje. Het glipt uit mijn handen en mijn ziel duikt er achteraan. Mijn ziel is een grote roze vis en volgt het goudvisje. Bij een landtong staan mensen. Er ligt een wrak. Het is een lieflijk oud houten schip, met teddyberen voor kinderen en een heuse schatkist. Ik haal er een gouden munt uit en draag die in mijn bek naar het strand. Er blijkt de beeltenis op te staan van Frederik Barbarossa, de keizer, die wachtte op zijn reïncarnatie. Het kleine meisje bekijkt de munt aandachtig, maar een meeuw trekt aan haar jurkje. Prompt gaat haar ziel er nu uit als een vogel en volgt de meeuw. Ze gaan even zitten in de top van een berk en dan naar een klein wit kasteel op een heuvel. Ze vliegen naar binnen. De open haard brandt en de kaarsen in de kroonluchters flakkeren. Een koninklijk gezin zit aan tafel. Het vogeltje wil graag iets hebben – een vrucht? Maar nee, het jongetje laat een robijn vallen en het meisje een parel. Het witte vogeltje pakt de robijn met zijn snavel en de parel met zijn pootjes en snelt terug naar het kind op het strand. Het kleine meisje draagt de geschenken eerbiedig in haar handjes. Wat eeuwen in diepten verborgen lag is boven gekomen en wat hoog en onbereikbaar leek werd zomaar los gelaten. De zwarte rots is haar altaar en ze legt de schatten er op. Ze wenst vurig, dat haar liefde voor de mensen meer waard wordt dan dit goud, dat haar wijsheid parels worden voor ze en dat het werk van haar handen de aarde mooi maken als een robijn.

IV De engel geeft raad

Ik ben één van drie kleine kindertjes. We hebben het zwanendons uit een grote wit linnen zak gehaald en het omhoog gegooid en neer laten dwarrelen. Ik lig op het zwanendons. Moeder zal boos worden, maar niet erg. Ze zal zeggen dat we alle veertjes weer in de zak moeten doen, en ik op mijn beurt zal dat niet erg vinden. Wat is dit heerlijk! Zo wit en donzig als sneeuw, maar zacht en warm, alsof je op een wolk ligt.... nu lig ik op een wolk, als jonge vrouw.
De wolk is blinkend wit. Er zijn meer mensen op, en ook engelen. Allen zijn we naakt en omdat gouden zonnelicht als een waas bovenop de wolk ligt, hebben we allemaal een lichte glans. Het enige verschil – tenminste op het eerste gezicht – tussen mensen en engelen is dat de engelen een glad gouden kroontje met een punt dragen, dus een soort driehoek.
Er zijn vier of acht of zestien mensen ( het zich in elk medium kunnen afdrukken of spiegelen van de levenslichamen moet ik nog steeds aan wennen) en ik ontdek dat er evenveel mensen als engelen zijn. Ik merk ook dat de witte wolk gemaakt wordt door de engelen. Zij dragen de wolk in hun armen en het is alsof ze hem spinnen uit onzichtbare wol. Wij mensen liggen op de wolk, maar eigenlijk liggen wij als baby's in de armen van de engelen. Ik lig in de armen van een prachtige engel. Ik vraag eerbiedig of hij mijn engel is. Ja, dat is hij.
– Wil je mij wat leren? En mag ik in je armen slapen?, vraag ik. Hij knikt. Als hij knikt straalt een prachtige vlam omhoog uit zijn kroon, wel een meter lang en voornamelijk licht lila, maar aan de buitenrand wat geel – oranje en wat geel – groen. Hij opent nu zijn mond en, ja, dat is een wonder: Zijn stem is meerdere dingen tegelijk. Tegelijk hemelse muziek, klanken als fluit, viool en piano tegelijk en zo lieflijk dat je echt in een soort slaap valt, en tegelijk spreekt hij met een heel zachte, rustige stem, zonder emotie, maar vol rust. Hij zegt zoiets van: – Slaap maar rustig, dan ben je wakker op de aarde. Studeer goed op de beelden die je krijgt van je levens. Er is nog veel meer in, dan je nu beseft. Studeer ook goed op de etherstralen, die je ziet, de grootte, de lichtkracht, de vormen, de beweeglijkheid en de dichtheid. Ook bij andere mensen en in daglicht en probeer ook kleuren te zien. Kijk daarvoor naar mensen met emoties, maar blijf zelf rustig.
Hij zegt nog meer, maar steeds dit soort dingen. Zijn rustige stem is even slaapverwekkend als zijn muziek en het komt tegelijk uit zijn mond. Af en toe schiet de vlam uit zijn kroon. Ik word helemaal warm van zijn koestering en omarming. – Ben jij er altijd?, vraag ik met heel mijn wezen.
– Ik ben er altijd, en het ligt alleen maar aan jou of je mij wilt ervaren of niet. Ik vraag soezerig of hij mijn geleidegeest is en hij knikt. Ik vraag of ik terug mag en hij knikt en ik ben weer het kleine meisje in het zwanendons.

V Kerst

Er ligt een dik pak sneeuw. Wel een meter of een halve meter dik. Ik draag een bontjas en laarzen en ik wandel door de heuvels, met mijn hond. Het is een herder en ik ben zeer op hem gesteld. Hij is waakzaam. We gaan naar het strand. De maan is vol zodat alles zilver glinsterend oplicht. De golven zijn zwart en glanzen schuimend. Het begint te sneeuwen, dikke trage vlokken.
Uit de zee verheft zich een gestalte van zwart water in de vorm van mijn evenbeeld. Mijn bontjas glijdt af. Wit en naakt sta ik in de sneeuw terwijl mijn natte zwarte spiegelbeeld zich aan mij vast zuigt. Ik probeer ons weer los te maken, maar voel dat dat onmogelijk is. Ik doe mijn kleren en bontjas weer aan. Ik voel dat ik nog gehuld ben in mijn dierlijkheid en dat mijn ijskoude en donkergrijze schaduw er nu altijd zal zijn. Ik fluit mijn hond en we lopen over het strand. De vlokken lijken in kleine engeltjes te veranderen die zachte muziek om ons heen ruisen. Bij de rotsen gekomen vinden we een grot. We gaan er in en vinden werkelijk Josef en een ezel, Maria en een os en het Kindje en een lam, ze zijn er precies zoals het hoort. Ik sta voor de kribbe en opeens is er een engel bij me. – Je hebt niet alleen je schaduw, maar ook ik zal nu altijd bij je zijn, zegt hij. En vleugels van licht vouwt hij om me heen. Ik ben blij en dankbaar en ga slapen op het stro. De volgende ochtend groet ik het nog slapende Kind en zijn ouders en loop met de hond naar buiten. Één en al licht en een prachtige zee. Stil lopen we terug.

VI Ogen

Het reizen, merk ik, brengt me in de wereld van de nacht. Dit nieuwe bewustzijn moet zich in de nacht van het diepere bewustzijn net zo goed kunnen redden. Kan ik dat? Ik was in een lange witte jurk, mijn ziel als jonkvrouw in haar reinheid, en liep op een smal wit strand. Links van me, in het westen, was de zwarte golvende zee; voor me, in het noorden, liep het strand een eind door, en werd dan omsloten door rotsen. Rechts in het oosten waren zwarte rotsen, achter me in het zuiden ook. Ik werd overvallen door de grootsheid van de stille nacht. Ik was er stil van en ging zitten op een kleine rots. Ik leunde met mijn rug tegen een gladde zwarte rotswand. Plotseling was ik diep ontroerd door de grootse schoonheid en liefde van deze natuur.
Ik stond op van het zitrotsje en knielde op het witte zand. Ik dankte eerbiedig de sterren, dat ze hun licht op ons neerzonden, het water dankte ik voor zijn eeuwige adem – zijn trouwe leven, het zand dankte ik dat het de talloze sterren weerspiegelde. Tranen liepen uit mijn ogen. Ik ging weer zitten.
Ik realiseerde me dat ik angst voelde. Angst voor wat me bedreigde van achter de zwarte rotsen rechts. Het was een dinosaurus. Het was een enorme vuurspuwende draak. Het was verschrikkelijk om te ontdekken, dat ik die jonkvrouw was, die dreigde verslonden te worden door de reusachtige draak. Hij kwam steeds dichterbij. Aangezien er geen Joris was besefte ik, dat ik dat zelf moest worden.
Ik deed mijn witte jurk uit en een strakke zilverkleurige broek aan en een bijpassende sweater. Ik pakte een zwaard uit de lucht, voegde het aaneen van sterrenstralen. Ik doopte het in het water, waardoor het sissend hard werd, en toen sleep ik het nog één keer in het zand. De reusachtige draak was al dichtbij. Zonder aarzeling stak ik in zijn linker halsslagader, die ik zag kloppen – en kreeg die open – het bloed gutste er uit – maar zijn vuur spuwde hij heftiger nog. Ik vloog omhoog en dacht eerst – een oog is zo heilig en helder, dat kan ik toch niet doorsteken – maar toen zag ik dat zijn pupil geel was, zijn iris rood, en het oog vol bloedvaten en ik doorstak het. Hij brulde het uit en draaide met een ruk zijn bek naar me toe. Ik schoot omhoog om meteen daarna weer te dalen en het tweede oog te doven. Toen zeeg hij stuiptrekkend ineen. Terwijl ik nog natrillend neerdaalde voelde ik dat hij evenals de jonkvrouw en de held een deel is van mijzelf. Hartstochten die uit mijn onderbewuste de kop opstaken en mij dreigden op te slokken. Wezenlijk is dat onderbewuste bloedkrachten mijn ogen dan zouden vertroebelen. Ik spoelde het zwaard schoon. Terwijl ik daar stond zag ik door mijn gereinigde ogen de sterren in engelen veranderen en de golven in waterwezens, de zandkorrels in kleine zilveren gnomen en – zij dankten mij. Ik mocht het zwaard behouden. Ik was niet meer slechts een vrouw voortaan, maar ook een man. Vol diepe dank en ontroering verliet ik het strand.

VII Zo'n reis kan gevaarlijk zijn

Ik loop over kale bergen, een soort duinen, richting zee. Ik heb een lange toga aan en een vierkante baret op. Ik ben een geleerde. Links van me loopt mijn spiegelbeeld. Maar dit keer ben ik niet alleen zelf dubbel, maar het gehele landschap. Alsof pal naast me, links, een enorme naadloze spiegelwand loopt. We komen bij de kust. De geleerde loopt een pier op, maar hij is als een huid die ik heb afgestroopt. (achteraf gaat daar misschien mijn verstand of wetenschap weg). Zelf ben ik een vrouw in een zwart witte stippeltjesjurk en ik zit aan de voet van de duinen. Rechts voor me zie ik het kleine zwarte figuurtje in zijn fladderende toga en links ziet mijn spiegelbeeld hetzelfde. Wij zien ze in wind en wolken verdwijnen. Zelf zitten wij in totale rust bij ons vuurtje, nadat we genoten van het kijken naar de vliegende vissen. Nu echter denk ik: waarom twee vuurtjes? Ik bespreek het met mijn spiegelbeeld, en we besluiten de vuurtjes te verplaatsen, zodat midden tussen ons in één groot vuur ontstaat. Dat is een lastig werkje, maar tenslotte lukt het. Lustig brandt het ene vuur met twee identieke helften.
Onvermijdelijk willen mijn spiegelbeeld en ik nu bij elkaar komen. Ik steen mijn rechterhand in de spiegel en zij haar linker. Als ik half in de spiegel ben is zij ook half en lijken we een heel mens. Dan gebeurt vliegensvlug iets wat niet de bedoeling was: ik ben achter de spiegel, dat wil zeggen: ik ben verdwenen. Het landschap is leeg. Aan de achterkant, waar ik nu ben, heerst duisternis – mijn jurk daarentegen is wit geworden. Het strand hier is hard en nat en donker, maar toch veerkrachtig: ik kan er op rennen en zelfs doe ik wat onhandige handstand – overslagjes.
Ik ga verder en zie opeens de schitterendste schelpen liggen. Hoe dichter ik er bij kom hoe angstiger ik echter word: onzichtbare koorden lijken zich om me heen te winden en me te verstrikken en verstikken – opeens ben ik doodsbang niet meer terug te kunnen naar de wereld van het daglicht, de wereld met de spiegel. Ik gil het uit. Dan lijkt het of de koorden een katapult waren vanaf de spiegel: in één keer slingert hij me terug naar de lichte kant. Ik heb het gevoel dat mijn leven gered is. (dat de ziel een te groot stuk van mijn levenslichaam mee nam).

 

 

 

 

 


 

Login