EVADIO

Sprookjes

Van 'Hans en Grietje tot Roodkapje'. Sprookjes van toen zitten vol wijsheid voor nu.

 

Sprookjes begeleiden mensen door alle tijden heen. Hans en Grietje laten het oertrauma zien, Vasilisa laat zien hoe het verleden overgaat in toekomst en aan Roodkapje zie je hoe het sprookje zelf mee kan veranderen en zo steeds de actuele menselijke zielsontwikkeling spiegelt.


'Hans en Grietje'

'Hans en Grietje' is een sprookje over het sterven. Over wat de ziel doormaakt tijdens en na de dood. Het is te vergelijken met het Tibetaanse en het Egyptische Dodenboek. Maar met een opvallend verschil. Het is niet geschreven met algemeen geldige raadgevingen zoals deze beroemde boeken, maar schildert één verpersoonlijkte reis van een ziel die door het aardeleven en de dood gaat tot en met de gelukkige terugkeer in het geestelijk Vaderhuis. Het thema is: de honger van het bezielde lichaam. Ik vertaalde het uit de originele Grimm en deelde het in scènes.

1 Hans en Grietje, het verhaal

I
1 Bij een groot bos woonde een arme houthakker met zijn vrouw en met zijn twee kinderen, Hans en Grietje. Toen er armoede in het land kwam kon hij niet slapen van de zorgen en zei tegen zijn vrouw: 'Wat moet er van ons worden? Hoe kunnen we onze kinderen nog eten geven als we voor onszelf niet eens genoeg hebben?'
1a 'Weet je wat, man, we brengen morgen vroeg de kinderen in het bos, waar het het dichtst is, maken een vuur voor ze en geven ze nog een stukje brood. Dan gaan wij aan het werk en laten ze alleen. Ze zullen de weg terug niet kunnen vinden en dan zijn wij van ze af'. 'Nee, vrouw, hoe zou ik dat ooit over mijn hart kunnen krijgen ze daar in het bos alleen te laten. De wilde dieren zullen komen en ze verscheuren'.
1b 'O, jij nar. Dan kun je maar beter meteen beginnen de planken voor onze doodskisten te schaven, want dan sterven we alle vier van de honger'. Ze liet hem niet met rust, zodat hij toestemde, al speet het hem voor de kinderen.

II
2 Ook de kinderen hadden van de honger niet kunnen slapen en alles gehoord, wat hun stiefmoeder tegen vader zei. Grietje huilde bittere tranen en zei: 'Nu is het met ons gedaan'. Maar Hans zei, dat hij hen zou weten te redden, en toen de ouders waren ingeslapen stond hij zachtjes op. Hij deed zijn jasje aan, opende de onderdeur en sloop naar buiten. De maan scheen heel helder en de witte kiezelstenen glansden als zilvergeld. Hij stopte zijn zakken er helemaal vol mee, sloop weer naar binnen, en zei tegen Grietje, dat God hen niet zou verlaten en dat ze nu rustig kon gaan slapen. Zelf legde hij zich daarna ook weer te rusten.
3 Nog vóór zonsopgang kwam de vrouw de kinderen wekken: 'Opstaan luilakken! We gaan het bos in om hout te halen. Ze gaf elk een stukje brood, en zei dat ze het moesten bewaren voor de middag, want meer was er vandaag niet. Grietje bewaarde het onder haar schortje, want Hans had zijn zakken vol stenen. Toen vertrokken ze. Hans stond steeds stil en keek om, zodat de ouders merkten dat hij iets in zijn schild vierde. 'Hans, wat kijk je en wat treuzel je. Vergeet je benen niet', zei zijn vader. 'Ach vader, ik kijk naar mijn witte katje, dat boven op het dak zit en mij adé wil zeggen'. 'Nar, dat is je katje niet, het is de morgenzon die op de schoorsteen schijnt', zei de vrouw. Maar hij had niet naar zijn katje gekeken; hij had steeds een blinkend witte kiezelsteen op de weg gegooid.
4 Toen ze midden in het bos waren gekomen, zei de vader tegen de kinderen, dat ze hout moesten zoeken voor een vuur, zodat ze het niet koud zouden krijgen. Ze verzamelden een kleine berg hout. Toen het vuur hoog oplaaide, zei de vrouw: 'Ga nu maar lekker uitrusten kinderen. Wij gaan het bos in om hout te hakken en als we klaar zijn, halen we jullie op'.
5 Hans en Grietje zaten bij het vuur en toen het middag werd aten ze hun stukje brood. Omdat ze de slagen van de bijl hoorden, meenden ze, dat hun vader in de buurt was. Het was echter zijn bijl niet, maar een tak, die hij aan een dorre boom had gehangen en die door de wind heen en weer werd geblazen.
6 Het duurde zo lang, dat hun ogen dichtvielen en ze insliepen. Toen ze wakker werden was het al donkere nacht. Grietje begon te huilen :'Hoe komen we ooit weer uit dit bos vandaan?' Maar Hans troostte haar en zei, dat als de maan op zou komen, zij de weg zeker zouden vinden. En toen de volle maan hoog aan de hemel stond nam hij zijn zusje bij de hand en volgde de kiezelstenen, die blonken als pas geslagen munten.
7 Ze liepen de hele nacht door en bereikten in de morgenschemering het huis van hun vader.
Ze klopten aan de deur en de vrouw, die de deur open deed, zag ze staan en riep: 'Foei, stoute kinderen, wat hebben jullie lang in het bos liggen slapen. We dachten al dat jullie helemaal niet meer terug wilden komen!' Maar de vader was blij, wat het had hem bedrukt, ze alleen te hebben achtergelaten.

III
8 Niet lang daarna was er tot in alle hoeken weer schaarste, en de kinderen hoorden hoe moeder 's nachts in bed tot vader sprak: 'Er is nog een half brood en dan is het liedje uit. De kinderen moeten weg. We zullen ze dieper het bos in brengen, zodat ze de weg terug niet weer kunnen vinden; anders is er geen redding voor ons'. Het lag de man zwaar op het hart en hij meende dat ze beter hun laatste hap brood, met de kinderen konden delen, maar ze hield vol, en zei, dat wie A gezegd heeft, ook B moet zeggen. Omdat hij de eerste keer had toegegeven, deed hij dat nu ook.
9 De kinderen waren nog wakker geweest en hadden het gesprek gehoord. Toen de ouders sliepen stond Hans op om kiezelstenen te rapen, zoals de eerste keer, maar de vrouw had de deur op slot gedaan en Hans kon er niet uit. Maar hij troostte zijn zusje: 'Huil maar niet Grietje. Slaap maar rustig, de lieve God zal ons wel helpen'.
10 Vroeg in de morgen kwam de vrouw, haalde de kinderen uit hun bed en gaf ze een stukje brood. Het was nog kleiner dan de vorige keer. Onderweg verbrokkelde Hans het in zijn zak en stond weer steeds even stil om een kruimel op de grond te gooien. 'Hans, wat sta je en kijk je om', zei zijn vader, 'volg je weg'. 'Ik kijk naar mijn duifje, dat op het dak zit en me adé wil zeggen', zei Hans. 'Nar, dat is je duifje niet, maar de morgenzon, die boven op de schoorsteen schijnt', zei de vrouw. Hans echter, gooide één voor één al zijn kruimels op de weg.
11 De vrouw voerde de kinderen nog dieper het bos in, waar ze hun hele leven nog niet geweest waren. Er werd weer een groot vuur gemaakt en de moeder zei: Blijf hier zitten, kinderen en als jullie moe zijn, kunnen jullie gaan slapen. Wij gaan houthakken en vanavond als we klaar zijn, komen we jullie ophalen. Toen het middag werd deelde Grietje haar stukje brood met Hans, die het zijne helemaal uitgestrooid had. Daarna sliepen ze in, maar de avond ging voorbij terwijl niemand de arme kinderen kwam halen. Ze ontwaakte diep in de nacht, maar Hans troostte zijn zusje en zei, dat als de maan hoog kwam, ze de broodkruimeltjes zouden zien, die hij gestrooid had, en die hen de weg naar huis zouden wijzen.
12 Toen de maan kwam stonden ze op, maar ze vonden geen kruimeltje meer, omdat de duizenden vogels van bos en veld ze hadden weggepikt. Hans zei, dat ze toch de weg wel zouden vinden, maar ze vonden hem niet. Ze liepen de hele nacht, en ook de hele volgende dag. Ze hadden honger, want ze hadden niets meer dan een paar bessen gegeten, en ze waren erg moe, zodat ze zich onder een boom neerlegden en sliepen.

IV
13 Toen was het al de derde morgen vanaf dat ze het huis van vader verlaten hadden. Ze begonnen weer te lopen, maar raakten alleen maar dieper in het woud en als er niet spoedig hulp kwam, zouden ze moeten sterven. Toen het middag werd, zagen ze een mooi sneeuwwit vogeltje op een tak zitten, dat zó mooi zong, dat ze bleven staan luisteren. Toen het klaar was, en wegvloog, liepen ze het achterna.
14 Zo kwamen ze bij een huisje, waar het op het dak was gaan zitten, en toen ze dichterbij kwamen, zagen ze, dat het huisje van brood was. Het dak was van koek en de vensters waren van heldere suiker.
15 'Daar zullen wij ons over ontfermen', zei Hans, 'en een gezegende maaltijd houden'. 'Ik zal een stuk van het dak eten. Grietje, eet jij van het venster, dat smaakt zoet'. Hans reikte omhoog en brak een stukje van het dak om te proeven. Grietje knabbelde aan een venster.
16 Toen riep een fijn stemmetje vanuit het huisje: 'Knibbel. Knabbel, knuisje...wie knabbelt er aan mijn huisje?' de kinderen antwoordden; 'De wind, de wind, dat hemelse kind', en ze aten verder, zonder zich van de wijs te laten brengen. Hans, die het dak erg lekker vond, scheurde er een groot stuk vanaf. Grietje stootte een ronde vensterplaat in zijn geheel eruit en ging er genietend mee zitten.
17 Opeens ging de deur open en een oeroude vrouw, die op een kruk leunde, kwam naar buiten geslopen. Hans en Grietje schrokken zo hevig, dat ze uit hun handen lieten vallen, waarmee ze bezig waren.
18 Maar het vrouwtje wiebelde met haar hoofd en sprak: 'Ei, lieve kindertjes, wie heeft jullie hierheen gebracht? Kom maar binnen en blijf bij mij. Er zal jullie geen leed geschieden'.
19 Ze nam beide kinderen bij de hand en nam ze mee haar huisje in. Oh, wat kregen ze lekker te eten: melk en pannekoeken met suiker, appels en noten. Daarna werden twee mooie bedjes wit opgemaakt en de kinderen legden zich erin en meenden dat ze in de hemel waren.
V
20 Het oudje had zo vriendelijk gedaan, maar ze was een boze heks, die op kinderen loerde en ze had het huisje gebouwd om kinderen zo naar zich toe te lokken. Als ze er één in haar macht kreeg, doodde ze het, kookte ze het en at het op en dat was een feestdag voor haar. Zulke heksen hebben rode ogen en kunnen slecht zien, maar ze hebben een fijngestemd instinct, net als dieren, om te voelen of er mensen in de buurt zijn. Toen Hans en Grietje in de buurt kwamen, had ze honend gelachen en gezegd: 'Die heb ik en die zullen niet meer ontsnappen'. Die ochtend vroeg, vóór de kinderen wakker werden, stond ze op en zag ze zo lieflijk liggen met mooie rode wangen. Ze mompelde: 'dat zal een lekker hapje worden'.
21 Ze pakte Hansje beet met haar dorre hand en stopte hem in een hokje, dat ze afsloot met een traliedeur. Hij kon schreeuwen wat hij wilde, maar dat veranderde niets.
22 Daarna ging ze naar Grietje, schudde haar wakker en beet haar toe:'Luilak, kom uit je bed, haal water en kook wat goeds voor je broer. Hij zit buiten in het hok en moet vet worden. Zodra hij vet is, zal ik hem opeten'. Grietje begon bitter te schreien, maar alles was vergeefs; ze moest de boze heks gehoorzamen.
23 Nu werd voor Hans het beste eten gekookt en Grietje kreeg niets dan kreeftenschalen. Elke morgen sloop de heks naar het hokje en riep: 'Hans steek je vinger er door, zodat ik kan voelen of je al vet bent'. Hans echter stak een botje door de tralies en ze zag zo slecht, dat ze geloofde, dat het zijn vinger was, die maar niet dikker werd.
24 Toen er vier weken om waren en hij nog steeds mager bleef, werd ze ongeduldig en wilde niet langer wachten. 'Heedaar, Grietje, wees flink en haal water. Of hansje nou vet of mager is, morgen wil ik hem slachten en koken'. Ach, hoe jammerde en klaagde het arme zusje, toen ze dat water moest dragen en hoe stroomden het de tranen over de wangen. 'Lieve God, help ons toch', riep ze uit, 'hadden toch de wilde dieren in het bos ons maar opgegeten, dan waren we tenminste samen gestorven'. 'Bespaar jezelf dat geblèr', zei de heks, 'dat helpt je toch niks'.
VI
25 De volgende morgen moest Grietje vroeg opstaan en de waterketel ophangen en het vuur aansteken. 'eerst gaan we bakken', zei de heks, 'ik heb de oven al voorverwarmd en het deeg al gekneed'. Ze duwde het arme Grietje naar de oven toe, waar de vlammen al naar buiten sloegen. 'Kruip erin, zei de heks, en voel of het voldoende is voorverwarmd, zodat we het brood erin kunnen schuiven'.
26 Als Grietje er dan in was, wilde ze de oven dichtdoen en Grietje erin braden en dan wilde ze haar ook opeten. Maar Grietje merkte wat ze van plan was en zei: 'Ik weet niet hoe ik dat moet doen...hoe kom ik daar in?' 'Domme gans', riep het oudje, ' die opening is groot genoeg, dat zie je toch wel, ik zou er zelf nog wel in kunnen', en ze ging er naar toe en stak haar hoofd erin. Toen gaf Grietje haar een harde duw, zodat ze er helemaal in vloog, klapte de ijzeren deur dicht en schoof de grendel er voor. Hu, daar begon de heks te huilen, echt griezelig. Maar Grietje liep weg en de goddeloze heks moest ellendig verbranden.

27 Grietje liep echter regelrecht naar Hans en opende zijn hokje, terwijl ze riep: 'Hans, we zijn vrij! De oude heks is dood!' Hij sprong het hok uit als een vogeltje uit zijn kooi en ze vielen elkaar huilend van vreugde in de armen. Ze dansten van blijdschap.

VII
28 Omdat ze nergens meer bang voor hoefden te zijn gingen ze het huisje binnen en vonden in alle hoeken kasten met paarlen en edelstenen. 'Dat is nog beter dan kiezelstenen', zei Hans, en stopte zoveel in zijn zakken als er in paste. 'Ik wil ook wat mee naar huis nemen', zei Grietje, en zij vulde haar schortje. 'Maar nu moeten we weg', zei Hans, 'zodat we uit het heksenbos wegkomen'.
29 Toen ze een paar uur gelopen hadden, kwamen ze bij een groot water. 'Hier kunnen we niet over', zei Hans, 'want ik zie geen vlonder en geen brug'. 'Hier vaart ook geen scheepje', antwoordde Grietje, 'maar ik zie een witte eend, en als ik het hem vraag, zal hij ons overvaren'. Ze sprak: 'eendje, eendje, hier staan Hans en Grietje, maar geen vlonder en geen brugje, neem ons op je witte rugje'.
30 Het eendje kwam en Hans klom erop en vroeg Grietje er bij te komen. 'Nee', zei Grietje, 'Dat is te zwaar, ze moet ons één voor één naar de overkant brengen'. Dat deed het goede diertje.
VIII
31 Toen ze daar verder liepen kwam het bos hen steeds bekender voor, en tenslotte zagen ze in de verte het huis van hun vader. Ze begonnen te rennen en sprongen de deur door naar binnen. Ze vielen hun vader om de hals. De man had geen blijdschap meer gekend sinds de kinderen waren achtergelaten, maar de vrouw was gestorven. Grietje schudde haar schortje leeg, zodat parels en edelstenen over de vloer rolden en Hans strooide handenvol uit zijn zakken er bij. Toen waren alle zorgen voorbij en ze leefden in vreugde met elkaar.

2 Het beleven:

Wanneer je ingaat op wat je bij het sprookje voelt en beleeft, kun je tot vragen komen. Pas je vragen brengen je ook je antwoorden en je eigen interpretaties.

* Het bleek in de groep hoe sterk de illustraties van sprookjes als beeld blijven hangen en het vormen van eigen beelden verhinderen. Ik maakte daarom mijn (eerste, niet de boven afgebeelde) eigen tekening. Het was de scène, waar de kinderen rusten bij het vuur en vaders bijl horen. Hans heeft zijn zakken vol kiezelstenen en ze lijken te geloven, dat moeder ze weer zal komen ophalen. In werkelijkheid horen ze een dode tak, met dat doel opgehangen, en niet vaders bijl. (regel 5)
Ik had ze getekend als iets oudere kinderen, puberteit. Om verschillende redenen, zoals omdat ze het huis uit moeten, omdat ze me aan Adam en Eva doen denken, die het Paradijs uit moeten en vooral gewoon mijn gevoel. Ze zijn zo vol vertrouwen, terwijl ze zo worden bedrogen. Mijn tekening maakt mij er echter van bewust, dat ik niet tot me had laten doordringen, dat het sprookje ze consequent kinderen laat blijven. Pas dus op, dat je het sprookje niet onbewust verandert en aanpast aan je eigen behoeften! Je moet die tekening dan niet 'fout' noemen en verwijderen. Maar bij het interpreteren kun je hier vragen over stellen: Wordt met kinderen letterlijk kinderen bedoeld? Kennelijk vind ik het lot van deze kinderen juist voor kinderen zo erg, dat ik hen onbewust wat ouder maakte. Waarom te erg?

Welke scènes treffen me het meest, of hadden anderen het meest getroffen. In de groep vooral: De wrede stiefmoeder. Het stokje, dat Hans door de tralies steekt. Grietje, die de heks haar eigen oven in duwt en verbrandt! Voor mij deze keer:
Dat de vader, die toch het liefst zijn kinderen bij zich houdt, een tak aan een boom bindt, waardoor in de wind het geluid ontstaat dat lijkt op houthakken. De kinderen denken hem te horen, terwijl hij ze verlaat. Waarom bedriegt hij ze?

Qua beleving is in de groep als positief beleefd het liefdevolle steunen van het huilende zusje door broer Hans, en zijn dappere pogingen hen thuis terug te brengen, en zijn vertrouwen op God. Helemaal trouwens hoe ze elkaar door dik en dun blijven steunen en helpen. Het is heerlijk dat ze eindelijk eens gezond en lekker te eten krijgen en een fris en zacht bed!
Er is ergernis in de eerste scène aan het slappe gedrag van vader, die zelf begint met klagen, maar tegen zijn zin instemt met de oplossing van de vrouw. Iemand anders vindt het juist heel goed, hoe hij zijn kinderen kan loslaten. Het blijkt dat ook deze deelnemer zich de kinderen als pubers of jong volwassenen voorstelt. De stiefmoeder? We weten het niet zo goed: misschien hebben de kinderen inderdaad betere kansen elders, maar of dat nou juist midden in het bos ook zo is? Haar toon tegenover de kinderen lijkt echter akelig, hoewel ook dat van pure bezorgdheid en wanhoop kan zijn? Nee, eigenlijk worden deze kinderen door alle volwassenen in de steek gelaten. Behalve opeens in dat heerlijke snoephuisje, met lekker eten en een zacht en schoon bedje...
En je schrikt enorm als dit een zeer doelbewuste 'val' blijkt te zijn van een kinderen etende heks. Gevangen zitten en volgestopt worden. Overgewicht om eetbaar te worden. Wie kent het niet. Hij wordt behandeld als een plofkip en Grietje wordt uitgebuit als de eerste de beste gastarbeider zonder rechten. Het verbaast me, dat de heks meteen precies zegt waar het op staat. Hans is dan in elk geval slim genoeg om een botje naar buiten te steken en zijn dood uit te stellen. Maar verder is het bij haar niets dan ellende. Waarom?

De handelende personen in dit sprookje zijn: Vader, de arme houthakker, die op wens van zijn vrouw zijn kinderen diep in het bos achterlaat, maar blij is wanneer ze bij hem terugkomen.
De vrouw, die de kinderen een laatste stukje brood geeft en commandeert en ze kwijt wil, en ze daarom diep in het bos achterlaat. Hans en Grietje, een broer en zusje, die in het bos alleen worden gelaten en de weg terugzoeken naar huis. De eerste keer vinden ze het aardse huis terug. De tweede keer hebben ze een lange dwaaltocht door het bos, waarna een wit vogeltje ze bij een koekhuisje brengt, waar ze in een angstige gevangenschap terechtkomen, en ook nog opgegeten zullen worden, terwijl ze nog zo jong zijn. De heks. Zij is iemand, die niet kan loslaten, maar tenslotte in haar eigen oven verbrandt.

De meesten in de groep identificeerden zich met Grietje en haar machteloosheid als ze Hans wil helpen, maar de heks moet gehoorzamen. Ook een paar met Hans, opgesloten zitten met als uitzicht te worden opgegeten. Ook de heks en de vader bleken in onszelf een plekje te hebben.

Andere elementen, die een rol spelen zijn eerst de kiezelstenen, de maan, de dode tak, die alledrie met het ouderlijk huis verbonden zijn.De kiezelstenen wijzen de weg in het maanlicht, in de nacht. De tak die los is van de boom, en die de vader vervangt, ( die bij de kinderen blijft).De broodkruimels: zij voeden niet Hans, maar de vele vogels die daar leven- overdag. In het maanlicht is er niets meer van terug te vinden om de weg te wijzen.
Het sneeuwwitte vogeltje is er opeens, zingt heel erg zoet en leidt ze naar het heksenhuisje van brood en koek. Het broodhuisje verandert in de plek, waar de kooi, de oven, het water en het vuur op ze wachten. De kooi houdt Hans gevangen. Het water moet steeds door Grietje gedragen worden en later, op weg naar huis, weet ze het veilig over te steken. Het vuur moet de kinderen warm houden in het bos, moet het eten voor Hans gaar maken en verbrandt de heks. De oven van de heks is zo groot, dat er mensen of kinderen in kunnen gebraden worden, en daar is hij ook voor bedoeld. De heks wordt er zelf in gebraden. De parels en edelstenen vinden ze er tenslotte ook en het eendje brengt ze over het grote water heen naar een gelukkige vader.

Waar, of met welke scène of karakter ik zelf hier de meeste moeite mee heb? Dat is niet het lijden, wat zwaar en wreed is, maar waar ze zich goed doorheen slaan. Maar met het liegen en bedriegen, dat kennelijk geleerd moet worden. Dat niet wordt beoordeeld als fout of slecht, maar dat kennelijk ook goed kan zijn. Kennelijk is dat soms niet fout, maar goed. Klopt dat? Dan strijkt dat me tegen alle haren in..... Hier vermoed ik, dat net als in de reïncarnatietherapie de plek, waar je stokt, waar je je aan stoot, waar je pijn voelt, dat juist die plek jou naar binnen roept. Die de barst is waar je door heen breekt naar de geheime wereld daarachter. Waar in het sprookjes zitten die leugens precies en wat willen ze mij vertellen?

Het liegen en bedriegen
Dat is allereerst die dode tak, die vader ophangt om zijn kinderen te laten geloven, dat hij er nog steeds is, vlak bij. Pas na wat peinzen besef ik, dat het geen leugen is, maar de bittere waarheid. Het beeld is hun realiteit. Zoals met beelden meestal zelfs in meerdere opzichten. 1 Zijn houthakken stelt niets meer voor dan een opgeknoopte dode tak. 2 De stamboom, de familie, de vader, waaruit de kinderen als jonge twijgen zijn voortgekomen, kan deze twijgen niet meer voeden. Ze bungelen er nog maar aan een touwtje aan, zo goed als dood. Opgehangen mensen zijn een gruwel om te zien en kunnen daardoor in de reïncarnatietherapie soms ook aanvankelijk als een dode tak verschijnen.

Later is er iets wat daar veel op lijkt, namelijk het botje wat Hans naar buiten steekt. Ook hier is kennelijk bedriegen nodig! Dat kan toch niet goed zijn? Of is ook dat anders dan het lijkt? Voeding, slechts bedoeld voor de heks, die haar hapje ermee verrijkt, kan het slachtoffer slechts doen verkillen en samentrekken van angst en afschuw. Gevoelsmatig vermagert het hem tot op het bot. Dus bedrog? Wat in de éne taal een leugen is, blijkt soms in de andere taal de waarheid.

Zou dat ook gelden voor de derde en laatste leugen? Daar staat nadrukkelijk, dat Grietje merkte wat de heks van plan was (scène 26) en dan liegt ze, dat ze het niet snapt en dan doodt ze de heks. Gek genoeg, die doodslag stoort geen mens. Die lijkt hier prima op zijn plek, evenals de leugen. Maar is dit wel een leugen? Nee. Ze huilde toch al die tijd, juist omdat ze dat nooit zou kunnen doen: meewerken aan het eten van kinderen. Ze blijft dus alleen maar zichzelf trouw. De leugens blijken slechts leugens als je in de wereld der oppervlakten blijft. De zintuiglijke of letterlijke werkelijkheid wordt hier niet naar waarheid weergegeven. En die doodslag? Ik denk dat die in de materiële werkelijkheid vaak geen juiste oplossing is. Het sprookje vertelt klaarblijkelijk over andere realiteiten.

Zo merk ik hier, dat het interpreteren het beleven begint te verrijken. Het lijkt het echte leven wel: in nood gaan veel mensen weer hulp zoeken bij machten in onzichtbare werelden. Hier onstaat de natuurlijke overgang naar

3 Mogelijke interpretaties

Van 'Hans en Grietje'.

I
Het getal twee. Er zijn twee kinderen, een jongen en een meisje.
Het sprookje valt op doordat het getal twee nog veel vaker voorkomt, zoals 2 kinderen, 2 x alleen gelaten in het bos, 2 boze vrouwen, 2 wegen, 2 witte geleidevogels. Het meest opvallende is echter, dat niet één, maar twee kinderen, een jongen en een meisje, de hoofdrol spelen, daarbij elkaar helpend en afwisselend.

Als elk sprookje ook over mij gaat, dan zijn de karakters ook delen of aspecten van mijzelf. Bij Hans en Grietje zien we in eerste instantie twee goedwillende maar uiteindelijk machteloze mannelijke karakters en drie sterke vrouwelijke, waarvan twee het kwade lijken te willen, maar de jongere, die het goede wil, tenslotte dit kwaad overwint. Wat betekent dit?
Het feit dat hier veel in tweevoud optreedt, biedt bij Hans en Grietje wel meteen al de mogelijkheid aan, na te gaan in hoeverre dit sprookje over het vrouw-zijn gaat. (met dien verstande, dat elk mens mannelijke en vrouwelijke elementen heeft, los van het fysieke lichaam, dat meestal maar 1 geslacht heeft). Niet alleen deze karakterverdeling wijst dan naar de ontwikkeling van de vrouwelijkheid als thema, maar ook de twee-heid.

Immers, zoals het getal 1 bij de man hoort, hoort de 2 bij de vrouw. Dit vind je vooral in het christelijke scheppingsverhaal uitgebeeld, maar je ziet het in de maatschappij om je heen. Pas nu, nu de vrouw langzaam begint in te halen, staat ze soms ook bovenaan, in plaats van op de bekende 2e plaats, als echtgenote, assistente of secretaresse van de man.

In de tarot is kaart 1 de man, de magiër en kaart 2 de vrouw, de hogepriesteres. In het algemeen representeren mannelijke figuren de geest en vrouwelijke de ziel. Als eigenschappen van de geest worden meestal gerekend het denken en handelen. Denken betekent het verbinden van zintuiglijke waarnemingen tot een zinvol geheel. Ook wordt de geest en het mannelijke als vooral actief, positief gezien en het vrouwelijke als vooral passief, negatief. Het licht is positief en het donker negatief. Goethe sprak van 'Taten und Leiden' bij het licht, dat samen met het donker tot de actieve kleuren geel en rood wordt als er (donkere) voor (het licht) komen, waar het licht dan actief doorheen schijnt. Het passieve blauw ontstaat, als het licht zelf tot een lichte sluier wordt, die passief de duisternis door zich heen laat schijnen.

Een onstoffelijk wezen heeft op aarde een stoffelijke drager nodig. Het meest spirituele wezen, de geest, heeft als drager het meest passieve element: de fysieke stof en het fysieke lichaam, waarmee de geest in de stof kan werken. Dat uit zich dan in het beroep. Hier is dat de houthakker. De geest zelf is meestal herkenbaar als koning. De ziel als iets passiever wezen heeft als stoffelijke drager de juist meer actieve levenskracht. Die heeft als zelf nog onstoffelijk levenslichaam een heel nauwe verbinding met het fysieke lichaam: pas in de dood gaan ze uit elkaar. Hier is het geen beroep, maar de natuur of de moeder (aarde) of juist stiefmoeder, waaraan je deze drager herkent. De ziel zelf is de koningin of de heldin of prinses.

Wat vertelt Hans en Grietje ons over de rol en ontwikkeling van mannelijke en vrouwelijke eigenschappen? Lijkt het hier niet precies omgekeerd, met actieve vrouwen en passieve mannen? Of is dit de zo jonge mensheid, dat de geest en de ziel nog helemaal dreigen te verdrinken in hun stoffelijke dragers, het aardse fysieke lichaam en levenslichaam? Want de dragers zijn immers passief bij de man en actief bij de vrouw. De stiefmoeder is in scène 1 de meest actieve; zij is gericht op overleven, precies wat de functie is van het levenslichaam. Er is honger. Ze dreigen te sterven. Vader is passief en is bang voor de wilde dieren. De geest is nog niet de heerser. De jongere zielendelen zullen worden afgestoten.

Meteen in scène 1 duikt in de groep de vraag op: is het een stiefmoeder? Want een moeder kan toch nooit zoiets willen. Gek genoeg zag ik het anders: elke moeder doet precies dit. Namelijk bij de geboorte. De vader en moeder in het slaapvertrek van scène 1 zijn dan elementen binnen het lichaam van de zwangere vrouw. Haar lichaam kan de vrucht niet langer voeden en er is als enige oplossing het uitstoten van de vrucht. Hier is als mannelijke kracht dan het fysieke lichaam, dat de vrucht niet langer kan voeden in gesprek met het levenslichaam. De vrouw is door haar lichaam in de situatie geplaatst enerzijds geheel ten dienste te staan van de nieuwe jonge krachten, maar deze anderzijds ook te moeten afstoten.
Als de rijpe vrucht niet geboren kan worden, sterft hij! En meestal de moeder dan ook! Beide moeten om te kunnen overleven elkaar loslaten, en de moeder moet het kind met weeën verstoten. De moederkoek is het laatste stukje brood, dat het kind nog meekrijgt, tot ook de navelstreng wordt doorgeknipt.

Heel herkenbaar is de nood, vooral nu tijdens de economische crisis. Veel mensen gaan nu naar de voedselbank, maar de situatie bestaat nog precies zo. Nood, en daar moeten ze uit vandaan zien te komen.
Spiritueel gezien wordt de mens door de nood 'open gebroken'. Binnen zijn bestaande realiteit is geen oplossing mogelijk, dus hij moet zijn grenzen verleggen of openen. De man in een sprookje staat meestal voor het 'ik', maar als ambachtsman, hier houthakker, is dat 'ik' helemaal vereenzelvigd met zijn 'drager', het ik-dragende fysieke lichaam. Als 'kinderen' niet te eten kunnen krijgen, op welke uitgangsplek dan ook, blijft de kern van de persoon wakker, en zoekt naar een kans, een kier, een uitweg.

Je kinderen het bos in sturen? Dit kan weliswaar zo gebeuren, in grote benauwenis, maar in de fysieke wereld zijn er betere plekken. Kinderen kwamen dan in kloosters terecht of moesten ergens werken 'voor de kost'. Enkel wanneer ze verborgen moesten blijven (vanwege hun ras of leefwijze of geloof ) kon dit de enige uitweg zijn. Maar deze daad, het wegsturen van jonge zielenkrachten het woud van het onderbewustzijn in, lijkt vooral te begrijpen als iets wat er (vaak) gebeurt in de zielenwereld. De vrouw is in het sprookje meestal de ziel, de innerlijkheid. Het is opvallend, dat juist de moeder de kinderen, de jongere of toekomstige krachten, wanneer die niet langer vanuit de eigen situatie gevoed kunnen worden, wil afstoten, terwijl de vader bang is voor wilde dieren. In de zielenwereld kunnen wilde dieren voor instincten staan. Zo kan woede door een leeuw, geduldige verdraagzaamheid door een koe, kracht door een olifant worden verbeeld en angst door een egeltje.

Er is allereerst het verschil tussen stoffelijke man en vrouw: Als een zwangerschap voldragen is, komt het moment, dat het lichaam van de vrouw het kind niet meer kan voeden. Ze moet het afstoten, en de ziel beseft dat en zij vertrouwt op de natuur, losgelaten hebben ze beide meer kans het leven te behouden. Het meer lichaamsgebonden vaderlijk zielendeel deinst er voor terug: hij heeft een besef van zijn eigen angst en woede.

Dit is een archetypische geboorte- ervaring. Ook al noodzaakt elke bevalling een moeder haar kind te verstoten, zo is dit toch een trauma. Er is sprake van een oertrauma, en het archetype omvat zowel de uitstoting van de mensen uit het paradijs, waarvan de vrouw de schuld krijgt, als elke daarmee mee-resonerend uitstoting. Uit het paradijs, uit de moederbuik, uit het huis, uit het vaderland. Het is allemaal beladen met een 'vrouwelijke schuld'. Dat Eva uit de rib van Adam geschapen werd, is een voorspel, en is het kleine maar o zo belangrijke begin van een reeks uitstotingen, van het verlies van heelheid en eenheid. Het sprookje zet aan op dit oertrauma.

Als 'moeder natuur' is de vrouwelijke ziel heel nuchter, en dit treft nog meer toe voor een bevalling. Zonder voedselbank in de buurt is het voor hongerende mensen hard, maar ook nuchter, wanneer ze meent, dat ze 'ieder voor zich' soms meer kans hebben. Er moet hoe dan ook iets gebeuren. De ziel voelt dat het dringendst en zet het door.
Geestelijk gezien breekt het ik zijn grenzen open in het oog van de dood en een splitsing van de eenheid van het gezin zal onvermijdelijk zijn. De heelheid, de hemelse en spirituele bestaansvorm, zal hier op aarde zo niet kunnen blijven.

II
Het valt op, dat de jonge mannelijke kracht heel zorgzaam is en vol vertrouwen. Een kind dat de toekomst aan kan. Zoals het dagbewustzijn bij de aarde hoort, zo hoort het dromen bij de maan en de zielenwereld, en Hans lijkt hier goed thuis. Het kind in de baarmoeder is nog in water gehuld en in de sfeer van deze maanwereld. De maan en de witte stenen zijn duidelijk bondgenoten. Het is het zielenland zelf, waar hij zich dan in de nacht, het donker van het 'onder'- bewustzijn, bevindt. De maan is het hemellichaam van het weerkaatsende licht, dit betekent het geheugen, het herhalen en terugkaatsen van het oorspronkelijke weten. De prachtige rond geslepen kiezels betekenen vaste gewoonten, wetten, tradities, leerstellingen, die door langdurig gebruik rond zijn geslepen.
Geestelijk gezien blijkt het toekomstige aspect (de kinderen) wakker en klaar, en compleet: mannelijk en vrouwelijk. Het gevoel is er (huilen), en aan mannelijke zijde het traditionele weten, maar ook het toekomstgerichte zorgvuldig uitgevoerde handelen.

Moeder wil de daadwerkelijke uitstoting. Hans prent zich de weg terug al in, door zich steeds om te draaien. Beide ouders proberen hem bij te sturen in hun plannen. (alsof ze willen zeggen: nee, jij bent jong, je moet vooruit, daar ligt je toekomst). Vader wijst hem weg van het hoofd en het kijken en richt zijn aandacht wat meer op zijn benen, heel herkenbaar. Hans kijkt naar zijn 'witte katje', een erg vrouwelijk dier, een nachtdier ook, dat kan wachten voor ze feilloos toeslaat. Maar moeder lijkt hem vooral een dromer te vinden, die gauw wat nuchterder moet worden. De vrouw is steeds degene die wekt, oproept tot bewustwording. Ze wekt ze al nog vóór de zon op is. Het achterom kijken en het witte nachtdier zien, dat hem nog groet, overdag, is het gevolg van Hans' wakkerheid in de nacht. Hans weet wat hij doet, en dat is zijn geheim. Hans is gericht op het verleden, maar heel bewust.

Via zijn ouders, de ervarener geestelijke en zielendelen, wordt hij echter gewezen op het gaan van de weg naar voren, de benen niet te vergeten, en op de morgenzon. Een nog groter licht, dan dat van de maan en liggend in de toekomst (morgen-zon). Die schijnt ook niet gewoon op het dak (de schedel, het hoofd), maar op de schoorsteen, het kanaal dat de open verbinding vormt tussen het persoonlijke vuur, de eigen geest, en de hemel, de hogere geest. Beide ouders helpen dus, en hier niet namens de stoffelijke dragers, maar als goede representanten van de kosmische ouders, Hemelse Vader en Moeder Aarde. Ze hebben beweging in de zaak gebracht en willen dat de kinderen deze nieuwe weg willen gaan.

Hier zien we de ouders eerst voor de kinderen zorgen; ze hebben het laatste stukje brood gekregen en krijgen het beste, dat de ouders verder nog te geven hebben: warmte. Warmte is ook het eerste wat een pasgeborene nodig heeft. Een goed begin is mogelijk.
Dan liegt de vrouw ze opzettelijk voor wat betreft het ophalen. Ze moeten zich veilig en verzorgd voelen, en niet achter de ouders aan komen. Ze weet, dat ze ze niet zal komen halen, en eigenlijk wisten de kinderen dat ook. Ze zijn verstoten en alleen gelaten in het woud van de aarde. In het levende groeien van hun eigen lichaam. Ze hebben een hoog oplaaiend vuur gekregen en mogen er rusten. Pasgeborenen slapen dan.
Het lijkt wel alsof ze elkaar en zichzelf de meest ideale situatie voor willen stellen. Hoewel de situatie er materieel gezien hopeloos uit ziet, klinkt alles 'normaal' en in orde. Ze zijn op aarde gezet en goed verzorgd achtergelaten.
Spiritueel gezien is het de vraag of er echt sprake is van een leugen? Of zal degene, die hen hier zo achterlaat, moeder natuur, hen ook werkelijk na de gedane arbeid, hier: na het leven op aarde, dus als ze sterven, weer komen ophalen?

Ze eten het laatste brood, dat moeder gaf en ook dat is realiteit bij pasgeborenen, via het babyvet en het smeerseltje, dat de huid bedekt. Ze slapen in met de bedrieglijke vertrouwde geluiden van vader. Maar als dit eigenlijk hun schepper is, dan is na de geboorte daar inderdaad alleen nog maar de materiële herinnering van overgebleven. De 'natuurlijke' ouders pakken het slim aan: geen akelige afscheidstaferelen. Maar de kinderen zijn alleen gelaten. De tegen de stam slaande tak is tegelijk het symbool van hun situatie: al los van de familie-boom, maar nog met een touwtje er aan vast geknoopt.
Is dat schijn? Het is in elk geval geen leugen: zelfs vaders 'gehoorzaamheid' aan moeders impuls is geheel in harmonie met deze laatste daad aan zijn kinderen: Ook hijzelf , als 'geestelijke vader' is op aarde niet meer dan een dode tak, machteloos aan zijn aardse noodlot gebonden. Want het betekent ook: de Hemelse Vader zelf kan hier niet blijven; hij heeft elders te werken, maar hij laat uit liefde iets van zichzelf achter: zijn klank. Deze klank helpt ze deze Vader niet te vergeten. Het geloofsleven van velen, dat gaat via boeken, is zoiets: dode letters als takken aan het papier gebonden kunnen de gelovige lezer in hun beleving dicht bij hun Vader brengen.

Hans heeft vertrouwen: hij heeft het goed gedaan. Er is een situatie na de archetypische uitstoting van de geboorte. De glanzende witte melkweg, in de hemel zichtbaar als de maan schijnt, werkt feilloos als instinct, en brengt de pasgeborene terug in de warmte en het gevoed worden door de witte maan- achtige moedermelk. Ook in ruimer verband, dus voor de jonge mensheid als geheel meeklinkend, blijft 'de familie', de 'stam', of de geloofsgroep of het vaderland een bepaalde zekerheid bieden. Je kunt op het verleden terugvallen, en op het vertrouwde. Elke gewoonte is een vastgeworden steen, opgebouwd uit de energie van de velen, die het precies zo deden. Fysiek gezien: de oudste weg terug zit in het reptielenbrein.
Ze slapen wel in bij het vuur en dit betekent, dat ze hun afkomst, alles, helemaal vergeten, en los van hun oorsprong raken. Ze zijn helemaal in de wereld van het op jezelf moeten staan, de Aarde, terecht gekomen. En nu komt een geweldige bevestiging: de jonge en toekomstgerichte krachten zijn in staat zelfstandig de weg terug, hun beginpunt, te vinden. Deze eerste eenzaamheid was relatief kort, ze werden nog volop verwarmd en voldoende gevoed door hun kosmische ouders achtergelaten en wisten zich door oude gewoonten, door het inprenten van de terugweg en het geheugen, de weg naar hun natuurlijke ouders en hun kosmische oorsprong terug te vinden.

Toch doen ze er de hele nacht over: ze hebben een heel leven, een hele incarnatie, tot het morgenlicht volgehouden. Ze komen uitgeput aan. Vader is blij en gelukkig. De vrouw draait het precies om, zij blijft spreken als moeder natuur, die op aarde wil leven. Wil zij, dat haar kinderen het van die aardse kant gaan bekijken? Wat moet dat uiterst verwarrend voor ze zijn. Haast om gek van te worden. Ze waren 's nachts gegaan, dat is in het donker, wat meestal wijst op het onderbewuste en dat het dus meer instinctief gebeurde, geleid door maan (herinneren) en stenen (gewoonten). Wat de woorden van de vrouw hier tonen is het spiegelbeeld, de realiteit van deze lagere zielenwereld1. Het levende lichaam (drager van de ziel/moeder) is iets anders dan een dood lichaam(drager van de geest/vader). Dode materie heeft de vorm, die het van zichzelf als molecuul heeft, een vaste kristal, of die de buitenwereld eraan gaf. Een levend lichaam echter moet continu worden vastgehouden in die levende vorm, om te voorkomen, dat het als dode moleculen uiteen valt. De 'mal' of het levenslichaam ziet er daarom uit als het spiegelbeeld van het fysieke lichaam. Zij, de moeder, toont hen de vorm, zoals die bestaat in de zielenwereld, haar eigenlijke rijk. Zij laat zich, nu de kinderen vanuit hun eerste eigen aardse ervaring weer terugkomen, deze 'mal' zien bij hun aankomst in het zielenrijk.
Spiritueel gezien is het de bestemming van mensenkinderen om hun eigen leven te leiden. De moeder ziet alleen terug tot in de zielenwereld. Daar hebben de kinderen wel heel erg lang rond gewaald, ze deden er de hele nacht over, wellicht toch zoekend soms van steen tot steen. Hier is van belang, op te merken dat zij in de morgen terugkomen, in het daglicht, dus begeleid door het licht uit het zonnig- gouden Vaderhuis van de hemel.

III

De ouders zien opnieuw geen kans gezamenlijk te overleven; op aarde heeft ieder een eigen lichaam. Wie A zegt, moet ook B zeggen, de mannelijke drager op aarde is passief en de geest komt daarin niet op een nieuw idee. Spiritueel gezien is de barst in de bestaande zekerheid alleen nog maar groter geworden. De geest weet, dat een nieuwe incarnatie de jongste zielenkracht zal doen groeien. Het is altijd het gevaar, dat dit jonge zielendeel zich dan verstrikt in het aardse en verloren gaat, maar dit is de manier van groei, waartoe hij gekozen had. Alleen de vrouw heeft iets nieuws geleerd: de deur blijft dicht. Eigenlijk kondigt zich daar haar sterven aan: de verbinding tussen haar 'huis' op aarde en de vrouwelijke cyclische maanwereld is gesloten. De borstvoeding is nu ook gestopt. Hans echter heeft nog steeds zijn vertrouwen.

Hans kan nu de zielenwereld van de maan niet meer betreden. De terugweg in moeder natuur via instincten en de terugweg via herinnering en gewoontes naar de vroegere eenheid staat hem dit keer niet ter beschikking. Hans laat zich niet van zijn stuk brengen, hij heeft als mannelijke toekomstkracht een spiritueel besef: hij kent God, en daarop vertrouwt hij nu. Hij is gegroeid.

Hoe redt hij het, nu hij zelf in het hier en nu, in zijn stoffelijke drager moet overleven? Is Hans daarin nog wel op de toekomst gericht? Hij heeft geen stenen, maar handelt op de vertrouwde manier, 'op zijn ruggenmerg' zogezegd, vol vertrouwen. Zonder echt na te denken herhaalt hij de handelingen van de eerste keer. Deze keer kijkt hij (zogenaamd?) echter om naar zijn 'witte duifje', het dier, dat symbool voor de geest is, voor een gedachte ook, en voor het hoofd, dat het overzicht heeft. Het is geen vrouwelijk nachtdier, maar een symbool voor een nieuw licht. Hier wordt voor hem al duidelijk, dat deze reis heel anders zal gaan worden, dan de vorige. De vrouw wijst hem weer op de morgen-zon en de schoorsteen.

Spiritueel gezien schenkt hij zijn laatste stukje brood ervoor weg. Brood is wat ze als laatste kosmische voeding meekrijgen: het bevat de vier elementen, aarde (meel), water, lucht (het is gerezen) en vuur (het werd gebakken). Kosmische voeding, wijsheid die als eigendom meekwam, en die voor hem het levenspad zou moeten vormen, zoals eerst de gewoontes dat deden. Maar hij kan al zelfstandig – binnen het lichaam, dus via zintuigen en hersenen bewuste gedachten krijgen inmiddels. Zijn eigen eerste echte gedachten zijn de overal om hem heen fladderende vogels. Zijn eigen denken in deze volgende gang naar de aarde voedt zich van harte met dit kosmisch brood! Hij kijkt dan ook deze keer afscheid nemend naar zijn duifje, zijn eigen geest, en 'verkruimelt' het kosmische weten. De kruimels zijn voedsel voor zijn eigen aardse gedachten, die in volle vrijheid overal heen vliegen.

Alles gebeurt nu duidelijker. Het is de moeder, die ze op hun plek brengt, en ze een veilig gevoel geeft. Ze blijven gehoorzaam en vol vertrouwen.
Deze keer zegt de moeder expliciet, dat ze kunnen gaan slapen, dus dieper mogen incarneren; de vorige keer had ze slechts van rusten gesproken. Het vrouwelijke toekomst- gerichte zielendeel, Grietje, heeft haar stukje kosmische voeding of levensbrood van wijsheid goed bewaard, 'onder haar schortje', dus in haar innerlijk, in haar hart. Zo heeft zij voldoende hemelse wijsheid voor de hele jonge ziel om het tot diep in de nacht goed uit te houden.
Spiritueel gezien komen ze opnieuw via het zielenland en het natuurlijk lichaam van de moeder weer in hun aardeleven. De natuur als aarde- moeder leidt ze deze keer nog dieper het bos in. Zij ontwaken pas in diepe duisternis. Hans vertrouwt erop, dat hij met behulp van zijn geheugen zich de kruimels van de hemelse wijsheid zal herinneren, en de inzichten, die hem tijdens de heenweg invielen, zal terugvinden.

Ze zijn op aarde, maar in het donker. De weg is helaas niet te vinden, en achteraf lijkt het kruimels strooien maar dom, want nu hebben ze meer honger. Ze vinden echter zelfstandig voedsel, en dat is goed! Het betekent, dat ze herkennen, waarmee ze verwant zijn en zich daarmee kunnen voeden. Een hele dag nog lopen, na de nacht. Voor het eerst zijn ze dan erg moe; zij hebben hun frisheid verloren. Een boom wordt een tijdelijke rustplek. Dit kan volgens mijn regressie- ervaringen met mensen al wijzen op het einde van dat dwalende aardeleven. Een leven, doorgebracht zonder de (bewuste) verbinding met hun geestelijke oorsprong (de ouders) en zonder daaruit nog gevoed te kunnen worden. De geestelijke kernen verzonken in de aardse dragers en het aardse overleven.

Op zieleniveau kun je zeggen, dat hun oriëntatie verloren is gegaan, is opgebruikt. Ze hebben zich ermee gevoed door het vrouwelijke zielendeel, en zelfstandige gedachten gekregen door het mannelijke zielendeel. Ze hebben zich met aardse vruchten gevoed en een hele 'dag', een hele cyclus ( een heel aards leven) van waken en slapen doorgemaakt, zonder 'thuis' te komen. Het is een enorme prestatie, ze zijn moe. Ze zijn oud geworden.
Spiritueel gezien is de jonge ziel is al veel gegroeid. Ze blijven nu immers ook overdag, dus met het licht van het wakkere bewustzijn doorlopen door het woud van het leven. Ze hebben zich als geest en ziel kunnen voeden met een paar vruchten van de aarde, wat wil zeggen, dat ze daar iets van hun hemelse oorsprong hebben kunnen proeven, en ze zijn moe geworden. Een heel aardeleven is even lang als een kosmische dag2, 72 jaar. Ze leggen zich onder een boom te slapen: een boom verbindt hemel en aarde.

IV

Het sterven wordt genoemd. Na het woord 'sterven' gebeurt er iets, waar je eigenlijk alleen maar 'overheen leest' (of hoort) als je zelf al geen andere wereld meer kent, dan de materiële. Als je op het punt staat te sterven, en daarna een mooi sneeuwwit vogeltje ziet......en dat ook nog zo prachtig hoort zingen, dan moet je als ziel beseffen, dat je lichaam inderdaad gestorven is. Je leeft – als bewuste ziel – gewoon verder, alsof er niets veranderd is, maar er is veel veranderd. Je bent niet meer in je stoffelijke lichaam en je bent niet meer op aarde. Deze ervaring ( het niet bewust over de drempel gaan) is archetypisch!
De jonge ziel heeft het aardelichaam opgebruikt en is over de drempel gekomen. Ze wordt opgewacht door haar geleidegids in het zielenland. Volgens wat ze beloofde is hier de representant van de kosmische vader en moeder, die ze nu komt ophalen. ('vanavond als we klaar zijn komen we jullie ophalen'). Zó kort na het sterven is de ziel nog zo zeer verbonden met haar aardse bestaan en ervaringen, dat ze dit nieuwe alleen nog maar kan zien door aardse 'ogen' en alleen nog maar kan 'begrijpen' met aardse gedachten. Ze menen nog steeds op aarde te leven en te dwalen, op zoek naar voedsel en vooral ook 'naar huis'. Toch beseffen ze dat ze het stralende wit en de kostelijke fluittonen moeten volgen om verder te komen!
Spiritueel gezien is het een geluk, dat de jonge ziel heel (mannelijke en vrouwelijke zielendelen samen) en toch ook wakker, zij het zonder begrip van de situatie, over de drempel van de dood is gegaan. Ze volgt als beide zielendelen haar spirituele gids, in de vorm van het witte vogeltje, die ze herkennen aan de schoonheid en zuiverheid, ook van klank, het zielenland in.

Het aardse plan is verlaten, maar moet nog verwerkt en dan losgelaten worden. Wat aan de aardse ervaringen onverwerkt bleef, komt ze nu tegemoet in andere spiegelbeeldige3 vorm.
Het leidmotief in deze incarnatie was honger en voedsel. Hebben ze ooit zo iets lekkers gehad? Er is veel begeren naar een huis en had Hans niet steeds omgekeken naar het dak en vooral deze laatste keer naar zijn duifje, dat daar had gezeten? Had Grietje niet liefdevol alle hemelse wijsheid 'binnen', 'onder haar schortje' gehouden? Is hier niet precies, dat wat ze nog zo zochten? Nog niet voldoende hadden kunnen uitleven op aarde?
Na de dood wordt de ziel geconfronteerd met de gevolgen van het voorbije aarde leven. Ze stierven op zoek naar huis en met grote honger. Dit is allebei in het ene beeld aanwezig: het lekkerste eten en het is tegelijk nog een (zoet en voedzaam) huis ook. Ze vinden wat ze zochten. Wat in hun eigen hart als diepste verlangen leefde, komt hen daar nu in de buitenwereld tegemoet.

Dit is de zielenwereld, en wat je daar zegt, doe je ook, als vanzelf, want er is geen stoffelijk iets, dat tussen denken en doen in zit. De ziel volgt zijn behoeften en zo knabbelt de denken willende Hans aan het dak, en de steeds naar de ander kijkende en meegaande Grietje begint aan het heldere en zoete venster. Ze volgen daarmee de hogere, geestelijke wetten en komen zo het niet langer door de stof verborgen deel van hun aardse leven tegen, als een soort spiegelbeeld.

Hier is het het tegendeel van de ervaringen met de aardse moeder natuur. Dit is de spiegel, die hun hemelse eigen ziel hen hier voorhoudt. Geen luid spottende stem, die zegt geen eten meer te hebben en de kinderen uit de woning stoot, maar zelf zijn ze nu de stotende en brekende wezens geworden, die een huisje open breken. Bovendien noemen ze zichzelf niet meer aardse, maar hemelse kinderen. (''De wind, de wind, dat hemelse kind', en ze aten verder, zonder zich van de wijs te laten brengen.')
Spiritueel gezien kan dit de verwerking betekenen van het sterven van de hongerdood (en wat komt dit nog steeds veel voor op aarde!). Dat is letterlijk een door de aardemoeder uit je aardse huis verstoten worden. Het archetype van de geboorte is gelijk, en tegelijk omgekeerd, aan dat van het sterven. Het van honger sterven (versterven) is het voor de moeder van het zielenland moeten loslaten van het stoffelijk lichaam, het aardse huis. Het teren van de ziel op dit huis doet iedereen in ouderdom en in een dodelijke ziekte. Hier beleeft de ziel dit als zielenrealiteit.

Een andere interpretatie is, dat wanneer een ziel moet overleven op aarde, hij zodanig in beslag genomen wordt door de behoeften van het lichaam, dat hij geestelijk honger lijdt. Op aarde is onrecht, haat en verdriet en onbegrip. Wat een honger kan er dan zijn naar gerechtigheid, naar liefde, vreugde en begrip! Dit huisje heeft brood, koek en suiker. Het lijkt er daarom het meest op, dat in de ziel een groot gebrek is geweest aan aards voedsel en zoetheid. Eerst mogen ze dat inhalen en dan wanen ze zich reeds in de hemel; daarna zullen ze ook nog de gerechtigheid ervaren.

Het vrouwtje laat ze heel erg schrikken. Dit gaat om een trauma, een schok, en omdat het een oeroud vrouwtje is, wijst het op een oer-oud trauma. Zo verliezen zij hierdoor hun grip op de dingen (zij laten het lekkers uit hun handen vallen). Ze verliezen de regie over de situatie. Dit betekent, dat er meer achter zit; dat er een onverwerkt al veel ouder trauma herhaald is, wat in het afgelopen aardeleven als eigenlijke oorzaak achter de tot de dood voerende gebeurtenissen zat. Wie is het vrouwtje? Hoe langer hoe meer ontpopt zij zich als de honger van de ziel naar het levenslichaam en de stof zelf. Dat is het zielendeel, dat zich geheel met het aardse lichaam geïdentificeerd heeft.
De ziel komt door haar handelen en door het breken van het huisje oog in oog te staan met een nog ouder verleden en de nog diepere oorzaak van de opgedane aardse ervaringen, en herkent dat meteen. Vandaar de schrik. Zij zijn daar als zielendelen in eerste instantie totaal niet tegen opgewassen.

Dit oeroude vrouwelijke zielselement, dus weer een archetype, vertoont sterke gelijkenis met de aardse moeder, en is tegelijk het tegenbeeld of spiegelbeeld: Kom binnen en blijf, in plaats van: we moeten die kinderen kwijt. Is dat niet, wat ze eigenlijk zo graag zouden hebben gewild op aarde? Of in het moederlichaam? Of in het paradijs? Is het niet als een mogen inhalen van de gemiste kans op aarde?
Het wiebelende hoofd wil ook iets zeggen: duidt het op een onzekere verbinding tussen gevoel en verstand? Of op een 'niet beheersen van de situatie', een niet er boven kunnen staan? Het hoofd lijkt zo meer iets als een ledemaat, dan als een plek, waar rust en wijsheid heerst. Ook haar woorden: 'Blijf bij mij' duiden op een probleem. Er wordt een blijvende binding, zelfs inlijving (binnen) aangeboden, en dat is niet het doel van de zich ontwikkelende mensenziel en geest. Maar er zit een diepere betekenis achter: het kosmisch wiebelende hoofd is de maan. Er zijn Indianen, die spreken van Vader Zon, Moeder Aarde en Grootmoeder Maan. Na het sterven komt de mensenziel in de Maansfeer. Tegelijk is dat haar eigen verre verleden. Zij ontwikkelde zich hier als Ziel vóórdat de Aardecyclus ontstond. De hier heersende geest heeft nog een appeltje met ze te schillen. Of beter gezegd: probeert ze opnieuw in haar macht te krijgen.

Maar zij willen terug naar hun vaderhuis, hun nog diepere oorsprong. Ze willen juist tot zich zelf kunnen komen.4 Dat kan in de Zonnesfeer, in het Licht en tenslotte zelfs in de Sterren buiten ons Zonnestelsel. Maar in de Maansfeer moet datgene achterblijven en overwonnen worden, wat ze hindert om verder te gaan.
Om hen heen ontwikkelt zich hier dan ook nog meer, wat ze in hun ziel op aarde als wensen met zich meedroegen. In het zielenland accepteren ze graag, wat vanuit die wensen op ze af komt, en dat is voorlopig zo voedend en zo plezierig uitrusten, dat ze menen in de hemel te zijn. Dat is geen domme gedachte. Veel zielen ervaren dit soort welkom in de geestelijke wereld, die hemel wordt genoemd. De laatste honger, die er van dit juist afgelopen leven nog was, en de overgebleven vermoeidheid van dit laatste aardse leven, zij mogen worden losgelaten. Ze beleven het welkom van de hemel.

V

Maar het oertrauma is er ook nog!
En dat oeroude trauma zit nog danig in de weg. Het wil geheeld worden. Al vanaf het moment, dat het ontstaan is. Wanneer het echter niet geheeld werd in het laatste aardeleven, integendeel juist herhaald en daardoor bevestigd, wordt het steeds machtiger. Het houdt de ziel vast! Het is oeroud en heeft al een hele strategie ontwikkeld en heeft na dit nieuwe dwalende en hongerende bestaan geen ander doel, dan deze jonge mensheid, deze kosmische 'kinderen' van moeder Aarde op te eten en in te lijven. Voelt moeder Aarde zelf zich als een moeder, die niet heeft kunnen verdragen, haar kind te verliezen? De aardeziel in al haar reinheid van het oerbegin, die het vertrek van zielendelen (kinderen) vanuit de aarde terug naar hun spirituele bron nooit heeft kunnen verwerken? Een vrouw, die haar kinderen (door ze op te eten) liever zodanig wil inlijven, dat ze ze nooit meer hoeft uit te stoten, maar er zelf door kan verjongen?

Oorspronkelijk was er heelheid, en alles was één. Slechts door dit los te laten en zelfstandig een eigen wording te zoeken ontstaat ervaring en kennis. Pas dan ontstaat er verrijking met de mogelijkheid tot groei, namelijk door wederzijdse bevruchting van de tegendelen. Het krampachtig willen vasthouden aan de oertoestand van eenheid en deze proberen te herstellen en forceren, maakt wat in oertijden goed was, die eenheid, nu tot een kwaad. De heks, grootmoeder Maan die de kindertjes wil inlijven is, hoewel ze schijnbaar het tegendeel is, in feite niets anders dan de Oermoeder op aarde, die ze het bos in joeg. Beide representeren hetzelfde onverwerkte oertrauma van deze ziel: de uitstoting uit het paradijs. ( Het nieuwe begin, vanuit de Scheppergod en vanuit de verwerkte volmaaktheid van de voltooide vorige cyclus: de Oude Maan).

Hans wordt nu geconfronteerd met zijn lot als man, op aarde als geest gebonden te moeten zijn aan de meest hulpeloze en passieve drager, die er bestaat: de dode stof zelf. Zo dood als de dode tak, zo dood als de kiezelstenen en het botje, dat hij door de tralies steekt. Een fysiek lichaam had hij, zo dood als de kooi waarin hij zich nu letterlijk beleeft. Thuis op aarde glipte hij eerst de deur nog door, het veilige vertrouwde maanicht in, en de tweede keer waren zijn gedachten nog talrijk en vrij als vogels in de zondoorschenen lucht. Hij verdwaalde in het aardse woud van levend blad en dood hout. Nu wordt hij als geestelijk wezen gedwongen bij zichzelf te blijven. Ook wordt hij gescheiden van het vrouwelijke zielendeel. Op aarde had hij steeds omgekeken, en zich vastgehouden aan zijn dieren op het dak, zijn speelse zielendelen en zijn herinnering, zijn vaste gewoonten. Nu ervaart hij wat hij/hem vasthield. Los van Grietje, alleen gelaten met 'dat wat houvast geeft'. Het is zowel als de hem totaal beperkende kooi als het vier weken lang levensreddende botje.

Wat de heks tegen Grietje zegt klinkt net zo hard als de woorden van de moeder op aarde. Ze moet haar echter nu haar passiviteit achter zich laten en actief ervaren, wat zij op aarde heeft geleefd. De wereld van de maan is de wereld van de vrouw en hier moet het vrouwelijk zielendeel wakker worden en handelen! Het huilen op aarde is in de zielenwereld als het dragen van emmers water. Het dragen van emmers water is het actief dragen van het levenselement. De vrouw is in dat element gebonden aan de maan. Grietje wordt hier volwassen als vrouw: Elke vier weken rijpt een eicel en deze kan na een bevruchting tot een nieuw levend mensenlichaam uitgroeien. Zo draagt het vrouweljk wezen op aarde emmers levend water. Wordt de eicel niet bevrucht, dan sterft deze en wordt samen met het hele baarmoederslijmvlies afgestoten. Dat doet pijn en bloedt. Dat is de pijn van de hongerende grootmoeder maan. Ze wil zich verjongen; leven dragen.

Het op aarde 'onder haar schortje' bewaren van hun voeding, ook voor Hansje, is hier het koken voor haar broer en het hem vetmesten. Onder het schortje bevindt zich zowel de baarmoeder alsook het hart. Het vrouwelijke zielendeel ervaart een ander lot dan het mannelijke ik. Het is niet gebonden aan het dode hout op aarde, maar aan de sapstroom, die het levend houdt en waardoor er steeds weer nieuwe groene bladeren aan ontspringen.
Hier wordt het paradijsverhaal inclusief de zondeval5 ervaren, maar op eigen unieke manier. De aardegodin verleidt archetypisch Eva tot het eten van de vrucht en het geven ervan aan Adam, en zij worden het paradijs uitgejaagd en sterfelijk. Hoe kan ze, de ziel in haar vrouwelijke incarnaties, dit ooit weer goedmaken? Of moet ze die 'fout' eeuwig herhalen, in steeds andere vorm, wat er in het zielenland uit ziet als hem vet te mesten en uiteindelijk door die oude heks te laten opeten?

Kreeftenschalen, die zowel duiden op de kreeft, de bewoner van de bodem van de zee, en op de kracht van ht vormen van zijn omhulling: Grietje leert de zee tot op de bodem kennen en kan ook wel heel goed wat meer huid gebruiken! Het voedsel, dat haar wordt toebedeeld lijkt pure pesterj en veel te weinig, maar is precies wat ze nodig heeft om als vrouwelijk zielendeel te groeien.
De heks is al heel oud, ze herhaalt dagelijks dezelfde handeling bij Hansje en kan niet zien, alleen tasten. Een oud trauma, dat zich stompzinnig afrolt. Ze wil alleen maar, dat Grietje er voor zorgt, dat Hans vet wordt. Grietje echter leert een huid om zich heen te vormen en Hans wil alleen maar zichzelf blijven. Op aarde ging het mis met Hans toen hij geen zekerheden als reeds bestaande en bij moeders huis opgeraapte kiezelstenen meer had, maar de eerste echte eigen, zij het nog slechts vluchtige inzichten. Hans heeft nu een botje, en hij is even sterk en onverslijtbaar als dat botje: Het verschil met kiezelstenen is, dat hij botjes ook in zichzelf kan vinden. Hij kan nu binnen zichzelf even veel zekerheid vinden als destijds aan gewoontes, wetten en herinneringen. Hij toont grootmoeder Maan de innerlijke zekerheid van het op aarde geïncarneerde ik. Dat is precies, wat op de Maan nog niet bestond. Dat ontbreken van een innerlijk ik is precies, wat maakt, dat haar hoofd wiebelt. Dat is precies wat zij zich op onrechtmatige wijze hoopt te verwerven. Op de Oude Maan waren de lichamen nog geen ik-dragers. Ze kent alleen de cyclus; nog niet het totaal nieuwe, dat de cirkel doorbreekt. Nog geen zaad, dat de eicel doet groeien tot iets totaal nieuws. Zij wil hem eten, breken, verteren en in de eeuwige cyclus inlijven.

Toen er vier weken om waren wilde de heks niet langer wachten. Eén keer is de maan om de aarde gedraaid. Het levenslichaam heeft die cyclus en als hij nu niet begonnen is vet te stapelen, komt dat ook niet meer. Dat weet ze, en haar tijd is om.

Ze zijn in het zielenland, en dit is het rijk van de Maan. Voor elke ziel is dat het gebied, waar hij na het aardeleven het eerst doorheen moet en ook voor het aardeleven is er een periode – het lichaam al in de baarmoeder groeiend- dat zijn ziel nog in dat rijk verkeert. Na vier weken is de maan weer een cyclus door en de tijd is om. Ook voor de heks is de kans op succes bijna om. Het onverwerkte oertrauma wil nu geheeld worden. Ofwel in de zin van 'nog weer eens bevestigd' waarbij de oude heks de kinderen inlijft en in een volgend leven opnieuw voor dezelfde problemen zal zorgen. Ofwel het wordt dit keer echt door de ziel geheeld. Het vrouwelijke zielendeel weet zich mede-schuldig (als vrouw) en was liever als geheel samen met het mannelijke zielendeel op aarde gestorven. Dat zou een betere heelheid hebben opgeleverd, dan die om op te gaan in het lijf van de heks. Deze nood wordt steeds groter en de jonge vrouwelijke zielenkracht beseft steeds beter wat er gebeurt. Ze realiseert zich dat zij met Hans samen een gezondere eenheid vormt dan Hans in de buik van de oervrouw, en kan dat ook laten horen.

Het bestaan van een groot monster in de na- doodse wateren van de ziel is in vele oude Mythen bekend. Bij de Egyptenaren werden de zielendelen, die niet mee konden de hemelse vruchtbare landen in, die 'afgekeurd' werden door de hemelse rechters, opgegeten door een krokodil- achtig monster. Het gaat erom, dat je zo heel mogelijk door deze gebieden heen komt6.
VI

Interessant is dat het laten doen van het zware werk door het meisje, waarin het vernederd en gekleineerd wordt, door de heks beschreven wordt als het 'kneden van het brood'. Het jongetje ziet ze als een hapje vlees, dat met wat vet nog lekkerder zal smaken en het meisje als deeg, dat gekneed wordt voor haar brood. Ze laat eerst het meisje de kookpot voor haar broer klaar maken, dus met water vullen en ophangen, inclusief het aansteken van het vuur eronder. Haar brood is daarmee klaar om in de oven te gaan. Het meisje is dan in staat om dienend de elementen te kunnen sturen. Ook hier is een ik-element aan de ziel toegevoegd: Ze kan niet alleen water dragen, maar ook vuur maken. Nu is ze genoeg gerezen om haar tot een ik-voedend brood te worden. Ze is als brood naar het model van de oude vrouw gekneed. Ook hier probeert de Maanheerseres macht te krijgen over de aarde-ontwikkeling van de mensenziel.

De overgang van het maanrijk, waar alle oude trauma's en alle onafgemaakt karma achterblijft, naar het zonnerijk, waar alleen het 'geslaagde' deel van de ziel kan worden toegelaten, is heel essentieel. Alles wat nog in onverwerkte traumatische ervaringen vastzit, aangeklonterd aan het oertrauma, moet in dit maangebied achterblijven en gaat deel uitmaken van het karma in het volgende aardeleven. Alleen datgene van de ziel van de gestorvene, wat het oude leed weet te verwerken en daardoor kan loslaten, kan het maanrijk of zielenland verlaten en binnengaan in het rijk van de zon, het spirituele vaderland. Het oude Egypte kende dit als het wegen van het hart tegen de recht op staande veer van Maät, de godin der waarheid.

Grietje en Grootmoeder Maan: welke kant van de weegschaal zal doorslaan? Kan Grietje straks door naar Vader Zon of zal ze moeten blijven dienen in de cyclische wereld van de Maan?

Wat bepaalt wat hier moet blijven als karma voor een volgend leven? Het kunnen verwerken en loslaten. Grietje voelt: het is nu erop of eronder. Het meisje is nu heel alert, en het kleine moment, dat ze krijgt, het allerlaatste moment van gehoorzaamheid aan het oude leed, wordt haar kans. Het oeroude vrouwelijk zielendeel, nog steeds herhalend wat in het paradijs het lijden in gang zette, rekent niet op een heel ander einde, dan wat al sinds oertijden hetzelfde is geweest. Het jonge vrouwelijke zielendeel zelf is deze keer echter sterk genoeg geworden om haar plaats in te nemen. Ze voelt zich verantwoordelijk voor het lot van haar broer en voelt ook haar eigen recht op een volledig mens-zijn. Ze heeft ik-kracht ontwikkeld. Ze rekent af met haar verleden en de macht, die dit nog altijd over haar had.
Deze handeling heeft zelf al het karakter van een overgang van handelen als ziel, die alleen maar gehoorzaam kan zijn aan de geest van een ouder deel, dus alleen maar bestaat uit gespiegeld licht, in de herhaling levend zoals de maan zelf, naar een geestelijk gedragen handelen. Een uniek moment, een daad vanuit het eigen moment van geestes- tegenwoordigheid. Dit bevrijdt de ziel, de vrouwelijke ziel met toekomstkrachten, met een eigen jong ik, van haar oertrauma/schuldgevoel.

Zij heeft dat zèlf gedaan, zonder een van buiten af leidend mannelijk beginsel, zoals toen ze Hans volgde met de kiezelstenen, de broodkruimels en het gaan snoepen van het huisje. Zij heeft de mannelijke zielenkracht nu niet meer van een ander nodig, en kan gelijkwaardige partner zijn. Allereerst maakt dat ook hem weer vrij. Ze worden weer heel.

Na haar eerste geheel nieuwe en zelfstandige daad volgt als vanzelfsprekend ook de bevrijding van het sinds de splitsing (van Adam, in het paradijs) machteloos gemaakte mannelijke zielendeel. Als gehele mens, Adam, man-vrouw, heerste hij in het paradijs, de dieren hun namen gevend en met God wandelend. Ze hebben op eigen kracht deze oorspronkelijke aardemens terugevonden.

Na het gespleten worden, had Adam, de in het mannelijk lichaam terechtgekomen zielenhelft van die hele mens echter zichzelf vergeten en Eva, die zich liet sturen vanuit de vroegere moeder Maan, passief gevolgd in het eten van de vrucht van kennis. Voor hem was dit trauma ook onverwerkt, het had hem vastgezet. Vanaf dit moment moet de man het karma dragen van werken in de stof, de materie, om zelf vruchten aan de aarde te ontworstelen. Vanaf dit moment kan zijn geest zich op aarde slechts manifesteren met behulp van een stoffelijke drager. Vast in deze 'ketenen' zit hij op aarde in het pogen het vaderhuis en het wandelen met God, terug te vinden. Met tradities en met overal heen fladderende gedachten komt hij er niet uit, en na de dood merkt hij pas goed hoezeer hij gevangen is geraakt. Steeds het vrouwelijk zielendeel beschermend, leidend en troostend en zelf kon hij zo niet verder meer groeien.

VII

Op aarde ontstaan parels uit de pijn, het lijden van de oester, door een ingedrongen zandkorrel of ander scherp iets tussen het weekdier en zijn schelp. Het ik binnen de vrouw doorbreekt en kwetst haar rondheid en volmaaktheid en doet haar pijn. Ze omringt dat met zorg, met afgrenzing en ook met liefde. Het worden parels.
Diamant ontstaat uit koolstof, het plantaardige skelet, dat als rechte stralen van zonne -ik omhoog groeit vanuit de aardeduisternis. Het blijft in die duisternis zichzelf, zelfs onder zeer grote druk, en wordt daaronder slechts harder en volkomen transparant voor elk licht.

Beide, parels en diamanten, zijn zeer kostbaar, en hebben een totale omstulping doorgemaakt. De scherpe pijn van iets dat naar binnen dringt is geworden tot iets, dat aan zijn buitenkant elk licht met grote zachtheid en mildheid terugstraalt in de parel. De druk van buitenaf op de zwarte koolstof is geworden tot iets, dat tot in zijn diepste innerlijk alle licht laat doordringen en schitteren.
Zolang de ziel in de oude traumatische ervaringen gevangen blijft, is ze daarop ook gefixeerd. Dat ze ondertussen veel leert en allerlei nieuwe en waardevolle ervaringen krijgt, merkt ze daarom niet. Ook dat betekent veel lijden en grote druk. Nu pas, nu dat trauma is losgelaten, nu ziet de ziel hoeveel ze daardoor geleerd en gewonnen heeft. Het is hier, in het Huis van de Heks, het duistere Maan- rijk van de Ziel zelf, dat de omstulping of transformatie heeft plaatsgevonden.
Het is bijzonder om tenslotte de onder het lijden gewonnen schatten te vinden. Ze waren er steeds al, maar werden aan het zicht onttrokken door de uiteenzetting met het eigen onverwerkte trauma, de nog heersende heks in hun ziel. Nu blijken het schatten van blijvende waarde. De aardse ervaringen van lijden en druk zijn getransformeerd in hemelse schatten.

De zielenkrachten worden uitgebeeld door dieren, en de het grote water laat duidelijk zien, dat dit de andere grens van het zielenland is, de andere kant van de maan, die naar de zon gericht is, en waarachter de geestelijke wereld wacht. Het vrouwelijk zielendeel is nu de perfecte aanvulling op het mannelijke, dat met broodkruimels en stenen, met vogels in de lucht, via het witte vogeltje zijn weg zocht en de heks, het centrum van deze maansfeer vond. Zij vindt de weg via het witte eendje over de wateren der ziel, naar het vaderland.
Het dwalen is voorbij. Onverwerkt verleden trekt je terug tot bij het oertrauma. Als dat verwerkt is, vindt de gereinigde ziel, samen met de bevrijde geest, vanzelf de weg. Het 'vinden van de weg' is geen enkel probleem meer. De zielendelen zijn weer één geworden en herkennen samen, dat dit niet meer de aarde, en het aan de aarde gebonden deel van de zielenwereld is, met zijn vaste aanknopingspunten als een brug, vlonder of scheepje (denken gedragen door het fysieke lichaam), maar dat ze dankzij Grietjes ervaringen nu ook in het zielenland (imaginatief denken is denken als lopen over het water) de weg kunnen vinden.

Het eendje kwam en Hans klom erop en vroeg Grietje er bij te komen. 'Nee', zei Grietje, 'Dat is te zwaar, ze moet ons één voor één naar de overkant brengen'. Dat deed het goede diertje: Ze zijn samen, maar elk apart gerijpt en zelfstandig geworden.
In het zielenland weet het vrouwelijk zielendeel de wetten en leidt de ziel en de geest zoals op aarde de geest leidde.

VIII

De vader vinden ze in de geestelijke wereld en daar zijn geen geheimen voor elkaar. Ze beseffen meteen hoe het de vader is vergaan na hun uitstoting op aarde. Het archetype Vader is hier in de hemel, en ze herkennen in hem ook de aardse vader weer. De moeder is gestorven, maar niet hier. Zij is in het zielenland, en veel van haar gedrag lijkt nog helemaal gevangen in het onverwerkte oertrauma, het archetype van de boze heks, Eva, die de slang niet los kan laten. In het rijk van de maan is zij onmisbaar: zij bewaart het karma- pakket, zodat dit bij een volgend aardeleven wellicht kan worden opgelost. Tenslotte is ook zijzelf getransformeerd en 'moeder Gods' geworden.

Conclusie: Het snoephuisje: Paradijs, zondeval en verlossing. De drie Werelden.

In de groep vond iemand dat het moment, dat Hans en Grietje van het snoephuisje gaan eten, hem deed denken aan de zondeval. Het broodhuisje lijkt in eerste instantie niet op waar het aan doet denken: Bethlehem betekent 'broodhuis' en dat was de plek waar het Kind werd geboren, dat de mensen heel kwam maken. Maar toch worden Hans en Grietje op die plek weer 'heel'. En als je er dan wat langer bij stilstaat realiseer je je, dat ook dat met heel veel lijden gepaard ging. Vinden we in dit sprookje dan de zondeval en de verlossing beide?

Het pakken van een stukje dak, door Hans, en hoe hij Grietje van de suiker geeft, ja, het lijkt op die oer- zonde van Eva, de 'zondeval'. Maar dan wel een 'omgekeerde' zondeval, die er haast een karikatuur van lijkt. Godvader is hier geworden tot een oude boze toverheks, die geen boom geplant heeft, met eetbare vruchten, maar een huisje, dat helemaal uit heerlijk voedsel bestaat. In plaats van de slang die bij Grietje komt, verleidt hier een wit vogeltje juist Hans tot het snoepen. En Hans neemt zelf van het dak en geeft van het suiker aan Grietje. En zoals in het Paradijs dan Eva daarna gedoemd wordt ondergeschikt te zijn aan de man, die zal moeten werken in het zweet zijns aanschijns, zo wordt hier Hans opgesloten en moet Grietje zwaar werk verrichten en hem vetmesten. Een zondeval, maar dit keer niet in het paradijs. Waar wordt alles omgekeerd en waar zijn ze na drie dagen dwalen in het bos, zonder eten of drinken?

Wat voor werelden kunnen we in dit sprookje herkennen? Er zijn voor mij duidelijk herkenbaar drie werelden, duidelijk van elkaar gescheiden. Elk van de drie bedrijven speelt zich af op een ander toneel. Of anders gezegd: in een andere bewustzijnslaag. Eén van de meest verhelderende gezichtspunten van R.Steiner is dat over het karakter van de verbinding van onze onsterfelijke wezensdelen, de ziel en de geest, met het levende lichaam. Het leven is daarbij de verbindende componentenlijm van de elementen aarde, water, lucht en vuur. Als ziel en geest het lichaam verlaten hebben, na het sterven, valt het levenslichaam weer uiteen in deze elementen, en het fysieke lichaam in moleculen. Het gaat er echter om, dat elk orgaan een andere soort verbinding van de onsterfelijke delen met de stof is. Je kunt het hoofd of de schedel zien als een stevig huisje, waarvan de 5 zintuigen volledig open staan voor de materiële wereld, als we wakker zijn.

Ziel en geest zijn volbewust van de zintuiglijke (aardse) wereld. (En wat worden ze volgestopt met informatie). In het middelste gedeelte van ons lichaam, van achteren gesteund door de ritmisch opgebouwde wervelkolom, zijn we maar half zo bewust. Daar voelen we. Geluk en verdriet, woede en wanhoop, vurige verliefdheid, alles wat we voelen zit hier, maar het is meer in een dromende, niet een klaarwakkere vorm van bewustzijn. Er zijn hier wel botten, maar hoogstens als open kooi en ruggesteun.

De ledematen, armen en handen, benen en voeten, hebben hun harde kern van binnen. Ze doen alles voor ons. Maar wel gestuurd vanuit het wakkere hoofd of de voelende borst. Wanneer ze ongestuurd bezig zijn, zoals bij een baby of bij iemand met uitgeschakeld bewustzijn, merk je goed dat we daar ter plekke nog heel erg diep slapen. R.Steiner beschreef zo deze verschillende lichaamsverankering van ons denken, voelen en willen.

In feite betekent dat echter, dat we wonen in drie rijken, werelden, dimensies of 'levels'. In sprookjes kom je deze drie rijken heel vaak tegen, meestal duidelijk herkenbaar als koninkrijken. Hier iets verborgener, als 1) Het rijk van armoede, kou en honger. 2) Het rijk van Verandering en betovering. 3) Het rijk van vreugde, vrijheid en overvloed. Het zijn de rijken van het lichaam (De aarde, de materie), van de ziel (hier kan een snoephuisje veranderen in een gewoon gezellig huisje, dat weer in een gruwelijke gevangenis kan veranderen), en van de geest (hier rollen de eeuwige schatten over de vloer). Wij leven echter altijd – simultaan- in deze drie rijken! Echter, alleen in het aardse rijk zijn we volbewust.

In het rijk der veranderingen zijn we halfbewust. We merken heus wel, dat als we gelukkig verliefd zijn of gewoon blij, dat dan alle huizen paleizen en snoephuizen kunnen worden. En hoe gruwelijk deze wereld er uit ziet als we depressief zijn. Maar het dringt niet echt helemaal 100% tot ons door. En ons handelen en gaan en staan? Ja, had ik dat maar niet gedaan. Waarom deed ik dat nou? Waarom was ik zo blind....? Sliep ik dan?

Wij zijn als Hans en Grietje, we hebben een geest en een ziel, een mannelijke en een vrouwelijke kant, en dwalen door deze drie rijken. In ons lichaam en in ons leven op aarde, maar ook na het aardse sterven. In de reïncarnatietherapie kom je voortdurend die drie rijken tegen, omdat aardse problemen, die niet op aardse wijze op te lossen zijn, dat wil zeggen: geen duidelijk oorzaak-gevolg-patroon hebben, altijd wijzen op een verknoping, een verstrikking van elementen uit de verschillende werelden met elkaar. In de reïncarnatietherapie is het daarom nodig zoveel mogelijk wakker te zijn in al deze drie rijken, zowel als geest als als ziel. Wanneer bevind je je in welk rijk en wat is daar je opgave? Laten we eens kijken naar Hans en Grietje.

Het aardse rijk, dat der zintuigen en der materie, kan ziel en geest niet langer voeden. De moeder en vader, de wat oudere en ervarener zielendelen, zien de onvermijdelijke hongerdood naderen. Ze praten daar met elkaar over. Ook de jonge zielendelen zijn wakker! De aarde betekent wakker kunnen zijn! Inplaats van daar ter plekke de dood afwachten, meent de ziel, de vrouw, dat de jongere zielendelen de kans moeten wagen om een andere, een volgende stap in de bewustwording te kunnen zetten. De geest is voorzichtig, behoudend en vertrouwt meer op de oude zekerheden. De harde steen, de feiten, de oude bloedsverbanden, vader en zoon willen liefst wakker blijven en deinzen terug voor de eerste stappen in een land, waar ze dat houvast niet meer hebben.

Ze zijn bang voor wilde dieren in dat land. Het gebied van de overlevingsinstincten, het bos, zo diep als ze nog nooit geweest waren. Waar het voelen de regels bepaalt en waar je dromen moet leren vertrouwen en gebruiken. De vrouw echter heeft er alle vertrouwen in en schuwt geen harde woorden om zowel man als kinderen de stap te laten zetten. Ze wijst de zoon spottend en daardoor treffend steeds op de morgenzon die op de schoorsteen schijnt. De schoorsteen is datgene, wat nog boven het dak uitsteekt en verticaal staat zoals de mens zelf. De schoorsteen is beeld van het ik, de geestelijke kern van de mens en letterlijk de open verbinding van het centrale (harte)- vuur met de hemel. Zij geeft hem de beste raad, die ze geven kan. Hij wil de vertrouwde en geliefde dierlijke zekerheid van het verleden niet loslaten, maar zij toont hem de toekomst. Het meisje, de jonge vrouwelijke kracht, valt hier op door haar vertrouwen in de wakkere Hans.

Nu is de weg naar een hoger bewustzijn te allen tijde al gezien als een gaan van het bewustzijn over de weg door het sterven heen. De slaap, de kleinere broer van de dood, is ons tijdens ons leven al (onbewust) vertoeven in dit rijk. We kunnen daar alleen binnen komen met geblinddoekte ogen en meestal onbewust. Deze weg door het sterven heen, of, de weg na de dood kennen we traditioneel vooral uit het oude Egypte met zijn dodenboeken en mummiecultus en van het Tibetaanse dodenboek. Ook door meditatie, waarin het lichaam onbeweeglijk rust en het bewustzijn door de 'stilte' gaat. In de Europese Middeleeuwen waren Hemel, Hel en Vagevuur niet uit de cultuur en het algemeen bewustzijn weg te denken.

In het moderne leven kennen we deze werelden veelvuldig, zoals in bijna-dood-ervaringen, drugservaringen, van films en het meest serieus misschien in de reïncarnatietherapie. Dat dit sprookje deze weg zo indrukwekkend toont is als het vinden van een kostbare schat.

 

Vasilisa de schone

Hier staat Vasilisa voor het hutje en daar komt Baba Yaga.                                       De pinksterboodschap van Vasilisa: Vasilisa werd door de krachten vanuit het verleden naar de Baba Yaga gestuurd. Zij wordt drievoudig beproefd en komt niet met lege handen weer terug. De stiefmoeder en de oudere zusters èn de schedel met de geestkracht van het verleden kunnen worden begraven. En dan, als door de wind komt ze aangewaaid als volwassen kind bij de kinderloze oude vrouw, de oude aardse ervaring. Zij spint nu fijner dan gewone stof, dit is een materie – vrij denken. Alleen zij kan het weven, het verbinden met zelfloos voelen. Alleen zij kan er hemden van maken, het vrije willen er nog mee verbinden. Alleen zij, want dit is alles slechts door het ik, door iedereen zelf persoonlijk, te volbrengen. Dan kun je je hoger Zelf kleden.

Het sprookje naverteld:
Ik heb dit mooie sprookje in scènes verdeeld. In de sprookjesgroep lezen we om de beurt een scène voor, en ieder van ons kiest een scène om thuis kunstzinnig uit te werken en mee te nemen. Aan de hand van de kunstwerkjes gaan we het sprookje in (zie 'Vasilisa de schone'). Omdat dat een lange tekst is, ga ik ook nog eens helemaal opnieuw door het sprookje. Met de ervaringen in de groep op de achtergrond kijk ik er zelf ook weer helemaal nieuw naar. Wat vind ik?
Scenes:
1 het sterven van haar moeder.

Er was eens een koopman, die twaalf jaar getrouwd was en maar één dochtertje had, Vasilisa, die acht jaar was toen haar moeder stierf. Moeder gaf haar daarbij haar zegen en een popje, dat ze onder de dekens vandaan haalde en dat Vasilisa aan niemand mocht laten zien. Als ze problemen had moest ze het te eten geven en dan om hulp vragen: het popje zou haar dan helpen.
Dankzij de antroposofie kunnen we de bekende overgang tussen de magische kleutertijd en het schoolse leergedrag benoemen als een vrij komen van het fysieke lichaam vanuit de erfelijkheid. Mede door kinderziektes is het geërfde materiaal aan de persoonlijke behoeften aangepast. Dit wordt zichtbaar in het blijvende gebit. Dit 'geschenk' van het 'eigen' lichaam krijgt elk kind omstreeks het achtste levensjaar en het is ontroerend hoe we ons in de groep ons dit moment inderdaad kunnen herinneren, en daarna in meditatieve aandacht, vaak voor het eerst bewust, ook zo blijken te herkennen:
A. besefte nu hoe ze inderdaad het popje kreeg op dat moment van handen wassen. Ja, want die handen waren precies het perfecte instrument geworden voor het boetseren. B. kreeg inderdaad de ebbenhouten pop, die hem aan de dood herinnerde, maar die nu ook zijn houvast bleek te zijn. C. herkende hoe ze de pop kreeg bij het bidden van de rozenkrans in de meimaand. D. bij het verhuizen naar Indië, waar ze letterlijk de poppen in de natuur zag hangen, waar de vlinders uit vandaan kropen. Overal geboorten en leven, in die zo vruchtbare natuur. E. in het glazen isoleer – kamertje in de stille rust om door de waterpokken heen te gaan. Bij F. ontstaat het beeld van al heel jong het popje te krijgen, maar de ethermoeder blijft toch nog tot haar 10e jaar bij haar, samen met Sinterklaas, tot ze het popje zelf goed vast kan houden. Die gebruikelijke belevenissen van eenzaamheid en gehuld in de magie beleefde zij dus gekruist en dat betekende voor haar al heel erg jong: ik doe het zelf. We hadden elk ons eigen popje gekregen. We hebben het destijds bemerkt, maar beseften op een heel andere, diepere manier dan met het dagelijks bewustzijn, wat er gebeurde. Het is namelijk iets 'heiligs'. Ook Vasilisa moet het verborgen houden, slechts in haar eigen kamertje er mee praten en het voeden. Je weet het in je hart, en slechts in meditatie, gevoed door je eerbiedige aandacht, kan het popje eten en je antwoorden. Bij Vasilisa is dit volledig bewust; zij bidt of mediteert, verbindt zich met moeders zegen zoals Assepoester die het graf van haar moeder blijft bezoeken.


2 het nieuwe huwelijk van de vader, het gepest worden.

Na zijn rouw hertrouwde de koopman met een vrouw, die al twee dochters had, van Vasilisa's leeftijd. Deze vrouw en haar dochters plaagden Vasilisa en lieten haar het zware werk doen omdat ze jaloers waren op haar schoonheid. Vasilisa deed alles zonder klagen en werd steeds mooier, terwijl de moeder en de zusjes door hun boosheid steeds lelijker werden.
In de eerste scène ging het over dood, het stoffelijke lichaam, en leven, gedragen in het levenslichaam, maar hier gaat het over drie vrouwelijke aspecten, dus over het zielen 'lichaam'. Dat is een wonderlijke uitdrukking, want is een ziel niet juist het tegendeel van een lichaam? Wat betekent dat woord? Wanneer je lichaam begrijpt als structuur, is het stoffelijk lichaam de vorm, waarin de structuur van de persoonlijkheid in de stof zichtbaar wordt. Het levenslichaam is dan de structuur, waarin het leven van die persoon georganiseerd is, en het zielenlichaam is de structuur waarin de ziel van die persoon zich moet gaan verwerkelijken. De vader, de geestelijke bron van Vasilisa, reikt haar door zijn nieuwe huwelijk deze structuur voor dit aardeleven aan. Toch bestaat het uit elementen die Vasilisa zelf heeft opgebouwd in vorige levens.

Ze zijn ouder en daarom al ervarener in het aardse bestaan. Vasilisa in dit nieuwe leven nog niet; zij moet dus leren en dienen. De hemelse ziel van de eigen moeder is in dit nieuwe huwelijk vervangen door haar aardse representant. Wij allemaal zijn opgescheept met wat we in onze vorige levens en tussen de levens in, van onszelf gemaakt hebben. We moeten het doen met de geïncarneerde persoonlijkheid, zoals deze door aardelevens heen geworden is en de daar symbolisch ideaal bij passende aardse moeder. Dit zijn de representanten van het zielenlichaam, de moeder, en haar twee oudste dochters, de reeds gevormde gewaarwordingen – ziel, die met spelden als sterrenlichtjes haar kant klost, en de verstands- en gemoeds - ziel die met de twee pennen van afnemende en wassende maan, het verstand en het gemoed sokken breit om op aarde op twee voeten warm omhuld te kunnen gaan en staan. De jongste en nieuwste spruit van de ziel is Vasilisa, de jonge bewustzijnsziel. Zoals de gewaarwordings – ziel bouwt op het zielenlichaam (haar moeder) en de verstands- gemoedsziel op het levenslichaam, dat enerzijds (of eerst) de organen opbouwt en anderzijds afbreekt (of daarna) het denken vorm geeft, zo moet de bewustzijnsziel groeien op de dode materie, op het fysieke lichaam zelf. Op de zintuigen dus en de botten ofwel het skelet, die elementen, die samen met het ijzer, dus ons rode bloed de meest minerale onderdelen van ons lichaam zijn.
Simpel bekeken staat de oudste dochter voor het denken, de tweede voor het voelen en Vasilisa voor het willen. Voor de toekomst is de ontwikkeling van de wil nodig en het werken. De oudere krachten maken de plannen en de wil gehoorzaamt en werkt.

3 hoe het popje helpt

Dat kwam omdat Vasilisa het popje 's avonds haar eigen bewaarde eten gaf en dan haar nood klaagde, en dan deed de volgende dag het popje het zware werk.
Het popje is het prachtige symbool voor ons stoffelijke lichaam. Het lichaam zonder welk wij niets op de aarde zouden kunnen uitrichten! Alles wat wij op aarde doen, doen we in de stof. Alleen met stoffelijke benen kunnen we op de aarde lopen en alleen met stoffelijke handen kunnen we werken in de stof. De bewustzijnsziel is het zielendeel, dat zich daarvan bewust moet worden. Haar opgave is dit vanuit de geest te kunnen doen. Dat kan alleen als het haar lukt de verbinding met haar geestelijke moeder vast te houden, verborgen, diep in haar innerlijk. In mijn textiele werkje verbergt ze het popje in haar hart. In het sprookje sluit ze zich op in haar kamertje. Dat is òf in de meditatie, bewust, òf in slaap. Meestal slapen in het sprookje de anderen al, maar Vasilisa is nog wakker: zij bewaart het beste voedsel voor het popje. Rudolf Steiner heeft daarover iets bijzonders verteld: het edelste minerale deel van ons voedsel komt terecht in de hersenen, bij de pijnappelklier, waar het verbonden wordt met het edelste der zintuiglijke indrukken. Dat is de graal. De graalsburcht bevindt zich in de schedel, en van daaruit voltrekt zich het wonder van het na elke slaap in een verkwikt stoffelijk lichaam wakker te worden. Mediteren is wakker slapen.

Het gaat goed met haar want ze vergeet haar hemelse afkomst, haar eigenlijke moeder, niet! Ze laten haar al het zware werk doen zodat ze mager en vies bruin zou worden, maar van het werken krijgt ze spieren en het popje laat haar een kruid tegen een verbrande huid zien. Ze wordt een mooie jonge vrouw. Terwijl haar lichaam het zware werk doet geniet haar ziel in dankbare rust van de schoonheid der natuur. Haar ziel wordt daardoor steeds schoner. De volwassen wordende bewustzijnsziel betekent echter ook dat de mens zo diep moeten indalen in het aardse gebeuren, dat niet alleen de dood maar ook het kwaad ervaren moet worden, dat woont en werkt in het onderbewuste. Antroposofisch bekeken was de opdracht van de verstands - en gemoedsziel om zich met leven en dood uiteen te zetten, maar is het de specifieke taak van de bewustzijnsziel het boze te leren kennen. Pas wanneer je het boze doorziet (en dat vereist continue waakzaamheid) kun je er niet door worden 'opgegeten'.

4 ze wordt huwbaar en de moeder verhuist naar het bos met de Baba Jaga.

Toen de meisjes op huwbare leeftijd kwamen, wilden de jonge mannen alleen maar Vasilisa als vrouw en dat konden de moeder en haar dochters niet verdragen. De vader ging op reis en de moeder verhuisde met de dochters naar de rand van het donkere bos, waarin de Baba Yaga woonde. Die at mensen alsof het kuikentjes waren, zodat het zeer gevaarlijk was dat bos in te gaan. De stiefmoeder stuurde Vasilisa steeds het bos in, maar het popje zorgde er voor, dat ze uit de buurt bleef van de heks. De stiefmoeder en stiefzussen, de krachten die tot dan toe het zielenbestaan leidden, zeggen echter dat de zussen eerst zelf ook getrouwd moeten zijn. Dat kan kennelijk alleen als ze hun mooie stiefzusje voorgoed kwijt raken. Ze weten niet beter of iedereen wordt door de Baba Yaga opgegeten en ze willen dat gebruiken. Of zouden zij onbewust weten dat de jongste zus dit zal moeten ervaren? Ze gaan er speciaal voor verhuizen en sturen Vasilisa steeds het donkere bos van het onbewuste in. Maar die heeft een bewustzijn, dat haar nog zo lang mogelijk beschermt. Ze kan wachten.

5 de drie meisjes krijgen een taak voor de avond en de zusjes doven de kaars en sturen Vasilisa naar de Baba Jaga om vuur te halen.

Toen werd het herfst en de moeder en haar dochters zetten een val op voor Vasilisa. De drie meisjes krijgen een handwerktaak, de stiefzusjes kantklossen en kousen breien en Vasilisa moet spinnen. Dan dooft een zusje stiekem de kaars, zodat ze geen licht meer hebben. Ze hebben geen vuur meer en dus ook geen licht. Daar de één nog licht van haar glinsterende spelden (vanuit het onstoffelijke zielenlichaam) heeft en de ander van haar breipennen (het onstoffelijke levenslichaam), maar Vasilisa niets (materie heeft niets meer dan zichzelf, de dood), moet zij nu naar de Baba Yaga om vuur te gaan halen. Ze duwen haar daartoe de kamer uit. Op haar kamertje voedt ze het popje en klaagt, dat Baba Yaga haar nu zal gaan opeten. Het popje zegt, dat zolang ze het popje bij zich heeft, de heks haar geen kwaad zal kunnen doen. Dan gaat ze het donkere bos in, bevend van angst.
Tenslotte laten de zussen opzettelijk de laatste kaars van het bewustzijnslicht uit het verleden uitdoven. Zijzelf weten van de gevaarlijke krachten van de Baba Yaga en blijven uit de buurt; ze teren nog op hun lichtkrachten uit het verleden, maar Vasilisa zal het licht voor de toekomst moeten gaan dragen en dat zelf aan de Baba Yaga, waar mensen sterven als kuikentjes, moeten zien te ontlokken. Verenigd sturen de stiefmoeder en haar breiende en kantklossende dochters zo het meisje weg, het donkere bos in, om nieuw licht te halen. Het licht voor de toekomst. Het sprookje is heel precies: Vasilisa breit niet en ze klost ook geen kant. Beide gebeurt met al kant en klaar gesponnen garens.
Vasilisa spint, dus moet zelf - nieuwe - garens gaan maken. Wat is spinnen? Hierbij wordt het oude, door de natuur geleverde materiaal verzameld en bewerkt tot er slechts vezeltjes zijn overgebleven. Dat kunnen vezels zijn van gehekeld en gerepeld vlas of de vezels van afgeschoren schapenvacht. Hier gaat het om het verwerken van talloze zintuiglijke indrukken te verwerken tot samenhangende gedachtegangen. Waarin je de draad niet kwijt raakt. Later, pas na haar verblijf bij de Baba Yaga, zal Vasilisa ook gaan weven, waarbij de ene dimensie van een draad overgaat in de twee dimensies van het doek, en hemden gaan naaien, waarbij de tweedimensionale lappen aaneengezet worden tot een ruimtelijke vorm, die precies een mens omhullen kan. Pas daaraan wordt zij dan als volwassen bewustzijnsziel herkend, dus als bijzonder waardevol en de tsaar, het hogere of toekomstige ik wil haar dan trouwen.

6 ze gaat op pad, ziet de ruiters en het hutje.

Er galoppeert een wit paard met witte ruiter voorbij en dan wordt het dag; er komt een rode ruiter voorbij en de zon komt op. Ze loopt de hele dag en dan nog de hele nacht en weer een dag. Pas als dan weer de avond valt komt ze bij een open plek in het bos, waar het hutje van Baba Yaga staat. Er is een hek omheen van menselijke botten met schedels erop. De deurposten zijn mensenbenen, de grendels mensenarmen en het slot is een menselijke mond met scherpe tanden. Nu komt er een zwarte ruiter aan die in het hutje verdwijnt en het wordt nacht.
In de zegels van de Apocalypse in de bijbel kom je de paarden tegen in de volgorde van de Baba Yaga: Het eerste zegel: er komt een wit paard, en die erop zat had een boog en hij kreeg een kroon en trok uit om te overwinnen. Het tweede zegel: er kwam een rossig paard, en die erop zat werd gegeven een groot zwaard en om de vrede weg te nemen van de aarde, opdat allen elkaar zouden afslachten. Het derde zegel: een zwart paard, en die er op zat had een weegschaal, en woog alles eerlijk af tegen zijn waarde. Mellie Uyldert zegt: zwart is de materie; wit is het leven, rein en puur, dus als geest en als pure levenskracht. Rood is de ziel, vuur van liefde en van haat en van hartstocht. We hebben in dat geval hier als paarden eerst het paard van het pure leven, dan het paard van het vurige voelen en dan het paard van de dood, de pure stof.
Wanneer we enkel naar Vasilisa zelf in haar opgroeien zien, herken je in haar zelf ook deze kleuren: de witte reinheid, het leven onder moeders zegen, het beeldschoon worden in het veelbelovende rood en in het zwart nu haar gang door de donkere nacht, door het donkere woud, naar de heks.

7 de heks komt thuis en geeft opdrachten, die goed moeten uitgevoerd, anders wordt ze opgegeten.

Maar opeens lichten de ogen in de schedels op en wordt het helder licht en Vasilisa verstijft van angst. Een enorm lawaai, krakende bomen en ritselende bladeren en daar komt Baba Yaga, vliegend in haar vijzel, roeiend met de stamper en haar sporen weer uitwissend met haar bezem. Ze snuift en schreeuwt: 'Hé, ik ruik een Russisch mens! Wie is daar'? Vasilisa vertelt wie ze is en dat de stiefzusters haar hebben gestuurd om vuur te halen. De heks antwoordt, dat ze het vuur krijgt als ze een poosje naar tevredenheid voor haar werkt; doet ze niet goed haar best, dan zal ze worden opgegeten. Vervolgens beveelt ze de poort open te gaan en gaat fluitend naar binnen, Vasilisa volgt haar. Ze krijgt meteen haar eerste opdracht, ze moet de heks brengen wat er in de oven staat. Vasilisa steekt een stukje hout aan met vuur uit de schedels van het hek en begint alles bij Baba Yaga te brengen. Het is genoeg voor tien mensen! Uit de kelder haalt ze kwast, honing, bier en wijn. Voor Vasilisa blijft wat soep, brood en vlees over. Ze geeft voor het slapen gaan Vasilisa de opdracht voor de volgende dag: erf en hut vegen, wassen, koken en naar de voorraadschuur gaan en er een kwart van de tarwe uit halen en alle zwarte korrels er uit halen. Het moet klaar zijn als ze terug komt, anders eet de heks haar op.
Vasilisa klaagt haar nood aan het popje, dat antwoordt: 'eet, bid en ga slapen. De ochtend is wijzer dan de avond'. Vasilisa ziet de volgende morgen hoe de heks vertrekt, en kijkt dan de hut in, wat is die groot. Maar dan is opeens al het werk gedaan en Vasilisa hoeft alleen nog maar te koken. Als Baba Yaga terug komt ziet ze tot haar spijt, dat er geen enkele reden is om boos te worden. Dan roept ze haar drie trouwe dienaars en dat blijken drie paar handen te zijn. Zij krijgen opdracht de tarwe te malen. Na het eten geeft Baba Yaga de volgende opdracht aan Vasilisa: hetzelfde als de eerste dag maar nu geen tarwe, maar maanzaad uit de voorraadschuur en daar van elk korreltje de aarde afvegen, want een boos iemand heeft aarde door haar maanzaad gegooid.
We bekeken de indrukwekkende tekening van het staan voor het doodenge heksenhutje in het donker, die één van ons gemaakt had. Het bijzondere aan deze scène was voor haar de vanzelfsprekendheid waarmee Vasilisa gehoorzaam was aan haar lot. Maar het stil blijven staan hier doet ze niet bewust. Het sprookje zegt duidelijk dat ze verstijft van angst en geen kans ziet weg te rennen. Is het eng?
Het zijn doodsbeenderen, want het gaat hier om geheimen van de stoffelijke natuur, en dat is de rondgang van de dode stof, het leven in en het leven uit. Daar brandt het vuur van de zomerzon, van de hartstocht en de begeerte, en ook het vuur van de haat, het vuur dat alles verschroeit en waar slechts wat as van overblijft. Soms ook het reinigende vuur, dat het bekendst is van de hoogovens, waar de metalen uit hun ertsen bevrijd worden. Zuiver metaal kan dan zo sterk verhit worden dat het verdampt. Als het dan neerslaat komen bloemen of zuivere kristallen tevoorschijn. Wat blijft er over van de hartstocht der verliefdheid? Wat zie je als je in de spiegel van je eigen hartstocht kijkt?

Dood en hartstocht. De deurposten zijn mensenbenen en het slot is een mond met scherpe tanden. Het gebit kan elk voedsel kapot bijten. Het slot, de mond, is van een mensenlichaam een opening waar zowel iets naar binnen als naar buiten kan gaan. Door de mond komt voedsel naar binnen en woorden naar buiten. Je kan er ook hartstochtelijk mee kussen. Het gat tussen mensenbenen is de plek waar normaalweg verschillende andere lichaamsopeningen te vinden zijn. Het afval van de menselijke vertering komt hier naar buiten. Alles wat verteerd is, is 'verbrand'. Door de vagina kan een man zich met een vrouw verbinden, dan komt er zaad naar binnen terwijl er bloed, maar soms ook een kindje naar buiten komt.
Zowel woorden als een kindje zijn geheel nieuw en onvoorspelbaar. Hebben zij ook specifiek iets te maken met de bewustzijnsziel, dus met de ontmoeting van het boze? Zou dat betekenen, dat het Boze ook iets met creativiteit te maken heeft?

Laten we wel zijn: de heks eet mensen als kuikentjes, maar wat doet ze met de resten? Ze maakt een hek met palen en daarop schedels, waarin vuur. Het vuur in je schedel is het vuur van je geest. Het onsterfelijke wezen van de mens, dat tijdens je aardeleven waarnemend denkend actief is binnen je schedel, maar na het sterven als vrucht en zaad naar de geestelijke wereld, het eigenlijke vaderland, moet verder reizen, wordt door de Baba Yaga vastgehouden. Het zijn de geesten van de gestorvenen, die door haar worden gedwongen verder te leven als schijnmens, verstard tot een paal met een schedel, als waarschuwing, markering en wachter van haar privé – gebied. Zij beschikt over hun vuur: het licht op als zij weer thuis komt. Dat is haar doel en daar gaat het haar om: de menselijke geest te vangen en te gebruiken voor zichzelf. Welke mensen worden haar slachtoffers? Het ziet er naar uit, dat dit vooral onwetende slachtoffers zijn; gehoorzaam vuur. Vasilisa weet dit niet bewust, maar zelf staat zij er in eerste instantie net zo naast: verstijfd van angst. Zal zij zich uit die verlamming kunnen bevrijden?

Baba Yaga zit in de vijzel, op zich een beeld voor de vrouw, de baarmoeder, of voor de ziel zelf. Ze stampt met de stamper, wat een fallus-symbool kan zijn, maar ook een kloppend hart, of een aankloppende geest. Ze raakt daarbij niet de aarde, maar roeit ermee door de lucht. Is ze dus toch een onstoffelijke creativiteit? Ja, hier in het woud van het onderbewuste woont een wezen dat klopt in de lucht om de aarde heen. Daar blijven, in de lucht dus, sporen van achter, die ze met de bezem uitwist. Het moet dus ongezien blijven, dat ze ergens was ofwel het moet geen herinnering worden, maar in het 'nu' blijven.

Het huis van doodsbeenderen en schedels vol vuur. In het diepe onbewuste van het donkere woud. Wat is het voor een plek? Steiner zegt in de cyclus over de mens als klankharmonie, dat onze botten zijn opgebouwd uit angst, – inderdaad voel je bij angst die hele samentrekkende beweging in je ziel, dat verdichten. Als je je dat voorstelt tot het niet meer dichter worden kan, dan ben je zo hard als een bot. En ons voort springende bloed bestaat zoals het bestaat dankzij de haat of het egoïsme. Hierbij moet je weten, dat in de embryologie al heel lang geleden is vastgesteld, dat het bloed al heel vroeg door het embryo heen stroomt, al lang voordat er bloedvaten omheen ontstaan, en veel eerder dan dat het hart ontstond. Het heeft die 'drive' die vurige levensdrift al vanaf het allereerste begin. Bot en bloed vormen binnen het stoffelijke lichaam een soort tegenstelling omdat bot het meest koud en verdicht is en het bloed het meest warm, vrij, beweeglijk en naar de periferie trekkend. Dat, die twee elementen die de basis zijn van onze dode vorm, de harde botten, en van ons leven, het zuurstofrijke bloed, zijn de plekken waar angst en egoïsme iets goeds doen. Ze moeten daar echter in het stoffelijke lichaam blijven om als instrument de menselijke geest te dienen, en mogen niet zelfstandige krachten in de ziel gaan optreden. Komen ze in de ziel, dan manifesteren ze zich als angst en haat, de krachten van het boze. Wat je in vorige levens tekort schoot, of verkeerd deed of onschuldig moest lijden, het krijgt alles een nieuwe kans in een nieuw leven in het nieuwe lichaam. Maar het kan je ook opvreten.

Er zal dus een zekere beheersing nodig zijn van de zielen - krachten verstand, gevoel en goed waarnemen en oordelen. Dat ze dat kan zal ze moeten bewijzen. En het lukt haar om een buiging te maken, zich voor te stellen en te zeggen waarvoor ze komt. Dat is al onvoorstelbaar moedig. Die open confrontatie aan te gaan. Zij mag dan ook, zegt de heks, inderdaad het lichtende vuur mee naar huis nemen, maar moet eerst opdrachten uitvoeren. Vasilisa moet het eten uit de oven halen, omdat de heks honger heeft.

8 alles gaat goed dankzij het popje en Vasilisa zwijgt, maar kijkt goed.

Het gebeurt dan net als op de eerste dag en Baba Yaga geeft haar drie dienaars nu opdracht olie te persen uit het maanzaad. Baba Yaga gaat eten en Vasilisa staat er zwijgend naast.
De eerste proef. Dit soort werk is haar vertrouwd. De eerste proef, geheel zonder popje uitgevoerd, heeft die soms iets te maken met het witte paard van de dag? Datgene wat ze dienend als kind geleerd heeft en nu bij vol bewustzijn beheerst? Ze kan ook nog het vuur ontsteken, opdienen en ze haalt er drinken bij vanuit de kelder. Hoewel de heks haar slechts vroeg het eten uit de oven te halen, voegt ze uit eigen beweging iets toe: warmte toe vanuit de schedel, en koelheid uit de kelder. Dat blijkt een overvloedige maaltijd te worden. Leven. Zou dat bij iedereen zo zijn gegaan? Of ligt het aan Vasilisa? Vasilisa haalt niet alleen iets uit de oven (haar hart?), maar voegt warmte uit haar denken (de schedel) en koelheid uit haar willen (ze gaat hier de kelder in! ze is cool! ) er aan toe. Zij schept hier overvloed. Genoeg voor tien mensen. Dat kennen we van zaad, zoals bij een graankorrel goed te zien is, want de ene korrel die sterft in de grond, brengt een aar tevoorschijn, die zeker het tienvoudige bevat. De heks is verzadigd en kan een kleine, maar volledige drievoudige maaltijd voor Vasilisa overhouden. De eerste test heeft ze gehaald. Geen dood voor Vasilisa, maar leven voor de heks en voor Vasilisa zelf. Het witte paard. Het etherlichaam is rein als de planten, die aan leven en groeien genoeg hebben. De enorme maaltijd kan diezelfde pure groeikracht symboliseren. Het eerste is dus: de heks, het boze, dat dood maakt, moet gevoed worden. De zuivere gewaarwordingsziel heeft als basis een rein gewaarwordingslichaam, gevoed door het reine etherlichaam.

Voor de tweede proef moet ze in het eerste reinigen korrels met kiemkracht scheiden van dode, zwart geworden korrels. Heeft dit iets te maken met het bloed of het rode paard? Op zich zou vurigheid namelijk wel passen bij een zwart- wit wereld. Zoals planten slechts een levenslichaam hebben, hebben dieren een ziel, een binnenwereld. Een ziel, die een hele wereld omvat, een hele micro-kosmos, een astraal lichaam, dat binnen het levende weefsel holtes maakt. Het astraallichaam zorgt er voor, dat het zuivere groene plantaardige voedsel wordt vervangen door het rode bloed. Bij het rode paard hoort de hartstocht, hier is een ziel bij betrokken met emoties, driften en instincten. Hier wijkt alles voor het zelfbehoud. Behalve plantaardige zuiverheid, de witte korrels, komt daardoor ook dood en egoïsme in het organisme, de zwarte korrels. Die komen ook in de ziel en moeten door het bewustzijn herkend worden en uitgefilterd. De heks krijgt dit van de dood bevrijde zuiver witte graan, maar ze gaat het niet zaaien; ze laat het malen tot meel, maar niet in het daglicht van het gewone bewustzijn, maar op een verborgen plek. Hier spreekt het sprookje slechts van zichtbare handen, die gehoorzaam maar onzichtbaar verbonden zijn aan een onzichtbaar lichaam en die het graan meenemen naar een plek, die verborgen is voor het dagbewustzijn. Het verstand kan pas beginnen te werken nadat het stoffelijke lichaam een kant en klare pop geworden is en de vormkrachten niet meer nodig heeft. Dat kan zich pas bij het kind ontwikkelen na de dood van de moeder.

Het tweede reinigen: het boze wezen laat Vasilisa maanzaad, papaverzaad, heel kleine grijze korreltjes, schoonmaken, ze moet de aardekorreltjes eraf borstelen. In de eerste test zag ze het verschil tussen zwarte en witte graankorrels, nu scheidt ze aardkruimeltjes van maanzaadjes. Het eerste is aan de buitenkant goed te zien, maar aan de buitenkant zie je nauwelijks verschil tussen een maanzaadje en een aardkorreltje: je moet kunnen zien wat er binnenin zit. Het eerste reinigen kan het verstand betreffen, dat gebonden is aan de zintuigen. Het tweede betreft het gevoel, dat dieper gaat. Dit gevoel werd pas ontwikkeld na het beleven van de stiefmoeder, dus na het huwelijk van vader; wat een ander gevoel dan dat van de eigen moeder.... zo kan ze het maanzaad, zaad van de plant die vol melk zit, scheiden van het dode aardse. Gereinigd van al het aardse kan men dat persen tot heldere doorzichtige olie. Ook nu weer moet dat gebeuren op een plek buiten het gewone bewustzijn. De Baba Yaga lijkt de heerseres te zijn in een niet – aards bewustzijn. Wijst dat op de maan? De papaver bevat nog melksap! Vasilisa moet dus twee keer iets reinigen, graankorrels en maanzaadjes, het zaad van de natuur moet rein zijn. Terwijl graan sterk geassocieerd wordt met de zon, en het licht, gaat het hier om een plant met melk, maar ook met de slaapbol, de opium, die mensen kan laten dromen. Zij moet in beide bewustzijnslagen de situatie kunnen beheersen, dus zowel met de plant van het zonnelicht, het levende denken, als met de maanplant, het dromen.

Krijgt Vasilisa hier als huwbare vrouw een inwijding of voorlichting omtrent seksualiteit en voortplanting? Dat behoort daar zéker bij, het vruchtbaar kunnen zijn en het moederlijk kunnen voeden. Maar het gaat hier vooral ook om de ziel, niet om de lichamelijke voortplanting. Tussen de mensenbenen zijn geen schaamlippen en vulva, maar een mond met tanden. Dat wijst op de andere, nieuwere scheppingskracht in klanken en woorden. Het gaat om de scheppingskracht in de ziel. Het lichamelijke bestaat hier slechts als doodsbeenderen. Zij komt hier om het boze te leren kennen, de heks die mensen verslindt alsof het kuikentjes zijn. Ze moet zaadjes herkennen en reinigen, maar niet om ze te zaaien, doch opdat er iets anders uit kan ontstaan. Heeft het Boze te maken met onrein geworden creativiteit? Maar wacht, er lijkt nog meer getest te moeten worden. De derde proef:

9 ze stelt haar vragen en de Baba Jaga vraagt ook iets aan haar.

'Waarom zeg je niets? Ben je soms stom'? Vasilisa zegt, dat ze niks durft te zeggen, maar wel graag iets wil vragen. Dat mag, maar wie veel weet wordt vroeg oud, zegt de heks. Vasilisa vraagt alleen over wat ze onderweg had gezien: wie was de witte ruiter? Dat is mijn heldere dag, zegt de heks. Dan blijkt het rode paard haar rode zon te zijn en het zwarte paard haar donkere nacht. Samen zijn ze haar drie trouwe dienaars. Vasilisa denkt aan de handen, maar houdt haar mond. De heks zegt: 'Wat wil je nog meer weten'? Maar Vasilisa zegt, dat het genoeg is. Dat blijkt heel wijs, want de heks zegt, dat het maar goed is, dat ze niets vroeg over wat ze binnen in het hutje zag, want ze houdt er niet van als de vuile was buiten komt en dat ze al te nieuwsgierige mensen op eet. Dan vraagt ze op haar beurt hoe Vasilisa het klaar speelde om al het werk op tijd af te krijgen. 'De zegen van mijn moeder helpt me', antwoordt Vasilisa.
Derde test: ze weet wanneer ze moet spreken en wanneer ze moet zwijgen.
In feite zijn dit dus drie tests: de eerste gaat over vuur en voeding, en ze doet het zonder de hulp van haar popje. De volgende is twee keer gaat het om het scheiden van wezenlijk en onwezenlijk, eerst via zwarte en witte korrels, dus uiterlijke verschillen en dan via aardkorrels en de daar sprekend op lijkende maanzaadkorrels, dus innerlijke verschillen en de derde test gaat over de kracht van het woord.


Het popje is sterker dan de Baba Yaga. Dat wil zeggen...Baba Yaga wil haar krachten niet langer meten met Vasilisa, zodra ze weet, dat die 'de zegen van haar moeder' bij zich draagt (= popje). Wanneer het popje het gezegende, daardoor het 'heilige' stoffelijke lichaam is, is het inderdaad sterker dan de Baba Yaga, die slechts in de onstoffelijke wereld kan bestaan. Toch is Baba Yaga buitengewoon machtig. Zijn niet de Dag, de Zon en de Nacht haar dienaars? Het is een zeer confronterende gedachte, dat Dag, Zon en Nacht in dienst zijn van het Boze. Gelukkig is dat niet zo; het boze heeft echter haar eigen realiteit: mijn dag, mijn zon en mijn nacht. De ziel is een complete innerlijke wereld, je schaduw, het levende geheel uit vorige levens en het huidige verleden heeft een eigen realiteit.

Wij hebben het in de groep nu uitvoerig over wat de Baba Yaga zelf noemt de 'vuile was'. Heeft dat misschien te maken met de drie paar handen die met het gereinigde graan de kamer uitgaan, om het te malen, en met het maanzaad om het te persen? Want daar mag Vasilisa niet naar vragen. De heks suggereert daarmee, dat wat zij met die zo schone zaadjes doet, niet geheel zuiver is. Magie, die hogere krachten voor egoïstische doelen gebruikt, is zwarte magie. Dat zou men heel goed 'vuile was' kunnen noemen. Vasilisa is zo wijs, daar niet over te spreken of naar te vragen! Ze vraagt slechts naar het openbare (knipoog naar Goethe) geheim. De paarden, die iedereen in dat bos zou kunnen zien. In de antroposofie kennen we boven het gewone dagbewustzijn het imaginatieve bewustzijn, dus het heldere zien en dit kan beginnen in de bewustzijsziel. Daarbovenuit kan het bewustzijn nog verder groeien naar het heldere horen en het heldere voelen, die een weten betreffen van wat zich binnen in de dingen afspeelt en die bouwen op het etherlichaam en het astraallichaam, maar dat heeft meer tijd nodig. Vasilisa weet, dat ze nog niet moet willen horen over dingen die ze nog niet kan zien. Zij heeft zelfkennis en beseft de hoogte op ontwikkelingstrap, waarop zij is.
Dit gesprek is volgens mij de derde test.

10 het antwoord maakt, dat ze naar huis wordt teruggestuurd, mèt het vuur, dat de zusters hadden gevraagd.

De heks wil haar nu onmiddellijk kwijt, want gezegende mensen kan ze missen als kiespijn. Ze geeft Vasilisa een schedel met gloeiende ogen, gestoken op een stok, mee voor de stiefmoeder. De schedel geeft haar licht in het nachtelijke bos. Pas de volgende avond bereikt ze het huis.
Verder bespreken we het feit, dat Baba Yaga de stiefzusters kent, maar Vasilisa niet. Zijn die zusters familie? Of, stel dat Baba Yaga een overgebleven kracht uit Atlantis is, zijn de zussen dan misschien ook zo oud? Dat zou kunnen verklaren, dat de jongemannen, als dragers van de krachten voor de toekomst, zich daar liever niet meer mee willen voortplanten. Wanneer zij gerijpt zullen zijn tot helder kunnen horen en tot helder kunnen voelen zullen zij een zeer grote schoonheid hebben verworven. Daarvoor is het echter nog te vroeg, maar misschien is dat ook niet hun interesse. Willen zij zich wel verder ontwikkelen of juist niet, en hebben zij daarom met het boze te maken? Groeien naar een nieuw stadium vraagt om het offeren van het oude, dat er al is. Willen ze Vasilisa zo graag kwijt, omdat die toekomstkracht in dat zusje hun eigen einde betekent?

11 de stiefmoeder en haar dochters krijgen wat ze vragen en Vasilisa zoekt een oude vrouw zonder kinderen en mag daar wonen.

Ze ziet dat er nergens een lichtje brandt en de vrouwen vertellen haar, dat sinds Vasilisa was vertrokken zij geen vuur meer hadden gehad. Ze konden zelf geen vuur maken, en wat de buren brachten, ging uit zodra het in hun huis kwam. Ze hopen dat het vuur van deze schedel wèl zal blijven branden. Dat gebeurt inderdaad, maar niet zoals zij bedoeld had: de ogen verbranden de stiefmoeder en haar dochters tot houtskool. Vasilisa begraaft daarop de schedel, sluit het huis en gaat naar de stad. . Ze vraagt een oude vrouw zonder kinderen of ze bij haar mag wonen en daar wacht ze op haar vader.
Dat ontlopen zij echter niet. Baba Yaga is eerlijk en concequent: Vasilisa heeft de opdrachten vervuld, dus krijgt zij het vuur mee, waar de zusters om gevraagd hebben. Het blijkt, dat in de groep de Baba Yaga door de meesten als het Lot wordt beschouwd, als dat wat je als je Karma overkomt en wat, hoe akelig ook, noodzakelijkerwijs beleefd moet worden. En wanneer je de heks ziet als draagster van Krachten van Atlantis, een magie die toen heel normaal was, maar nu niet meer, dan kan het Boze herkend worden als een kracht die te laat werkt. Een kracht, wier tijd al voorbij is. Vuur als creativiteit in hoofden, die al lang dood zijn.
Als je dat letterlijk zo neemt, zou het misschien precies passen bij de stiefmoeder en haar dochters. Immers, zij zijn creatief! Zij hebben een uitgekiend plan om Vasilisa bij de Baba Yaga te krijgen! Want het is een zorgvuldig opgezette val. Waarin wel degelijk ook dag, zon en nacht als dienaars hun rol spelen. En eerlijk gezegd, de creativiteit in het denken van mensen, is die niet vrijwel altijd in de richting van het directe persoonlijke eigenbelang? Sluwe listen, maar denk alleen eens aan reclame, met name ook op het internet, wat een creativiteit enkel maar om geld te verdienen! Dan zouden deze drie dus in de schedel met vuur hun eigen aard moeten herkennen. Gebeurt dat ook?
Men zegt wel eens, dat uiteindelijk het kwaad zichzelf vernietigt en zegswijzen zoals 'Wie een kuil graaft voor een ander....' duiden daar ook op. De zusters krijgen waar ze om vroegen en in feite is dat de confrontatie met jezelf. Die komen we allemaal tegen wanneer we de dood in de ogen moeten kijken. Vasilisa heeft dat gedaan omdat ze moest. Het was haar lot. Moeder en zusters echter hebben het door een list via een ander als het ware cadeau willen krijgen. Of beter gezegd: ze hoopten, dat Vasilisa werkelijk zou sterven. Wat betekent hier echter sterven? Moet niet iedereen voortdurend iets van zichzelf laten sterven om het volgende stadium geboren te kunnen laten worden? Moet niet iedere stap van ontwikkeling worden betaald met een stuk van het persoonlijke zelf, dat je er voor moet los laten?

12 ze gaat spinnen, weven en naaien en wordt daaraan herkend als bijzonder waardevol en de tsaar wil haar trouwen.

Ze wil ondertussen wat doen en vraagt om heel fijn vlas. Dat spint ze. Van een oud weefgetouw en de manen van een paard maakt het popje dan een prachtig weefgetouw. Toen het winter werd, was het weefsel klaar en zo fijn, dat het door het oog van een naald paste. In de lente werd het gebleekt. Vasilisa zegt tegen de vrouw, dat zij het mag hebben om te verkopen, maar de vrouw ziet dat alleen de tsaar zoiets kostbaars waard is. Ze gaat er mee naar het paleis en schenkt het de tsaar. Ze krijgt kostbare geschenken mee terug. Op het paleis blijkt niemand de fijne stof te kunnen verwerken tot hemden en men gaat op zoek naar de oude vrouw en brengt haar naar het paleis. Ze zegt dat haar pleegdochter het geweven heeft en de tsaar vraagt of die er dan ook twaalf hemden van kan naaien.
Dat gebeurt en als het vrouwtje die naar de tsaar brengt wast Vasilisa zich, kamt haar haar en kleedt zich mooi aan en gaat voor het raam zitten wachten. Ze wordt gehaald en zodra de tsaar haar ziet wordt hij tot over zijn oren verliefd op haar. Hij pakt haar witte handen vast, laat haar naast zich plaats nemen en trouwt met haar. Dan komt ook haar vader thuis en hij en de oude vrouw blijven bij haar in het paleis wonen. Het popje droeg ze de rest van haar leven in haar zak.


Ze zoekt een oude vrouw zonder kinderen. Wat is dat voor een kracht? Het zou kunnen dat dit het symbool is voor de algemeen menselijke ervaringen van vrouwelijke krachten. Dus dat, wat zielen in vrouwenlevens hebben verwerkt, maar niet egoïstisch gebruikt hebben. Zij heeft geen kinderen, omdat kinderen geen bezit kunnen zijn, en draagt dat geduldig. Dan komt daar zomaar opeens dat beeldschone kind, het vrouwelijke, dat de eerlijk verdiende en gezegende toekomst draagt, zèlf aankloppen en vragen of ze hier mag komen wonen. Die twee passen perfect bij elkaar!
Het oude vrouwtje van ervaring wordt een dienares, een soort boodschapster. Met haar ervaring weet ze de grondstoffen te bezorgen, die Vasilisa, de bewustzijnsziel, nodig heeft, om het geestzelf te kunnen gaan dragen. Ze weet ook de plek te vinden, waar Vasilisa's werkstukken terecht moeten komen. Bijna zou je denken, dat zij het aardse kleed of aardse lichaam is van de hemels geworden ziel, die Vasilisa geworden is, nadat zij bij de dood in huis heeft gewoond.

Hiermee bedoel ik dat wanneer de stiefmoeder en oudere stiefzusters al overleden zijn ook Vasilisa's eigen lichaam inmiddels een oud vrouwtje was geworden, waarin haar ziel zich echter nog steeds mooier en sterker kon ontwikkelen, ook al was zij -Vasilisa's ziel- zich bewust van haar niet – aardse, hemelse afkomst. Hoe lang was zij bij de Baba Yaga? Zij was er in het sprookje net zo kort als dat de gestorven Christus in zijn graf bleef. Nedergedaald ter helle, zegt het Evangelie, het engelenwoord, en ten derden dage wederom opgestaan. Je zou hier kunnen gaan denken, dat Vasilisa ook zoiets doormaakte, maar dat dit in aardse ervaringen een veel langere tijd is, die zij wel op aarde verder leefde.

Zintuigindrukken zijn losse vezels, die als voorstellingen door je hoofd zweven, soms flitsend snel, soms traag en laag. Leer je ze met elkaar te verbinden, ga je lijnen zien. Alsof letters tot woorden worden, die levende letters van het Levende Wereldwoord, waar je middenin als mensenkind geboren werd. Dan leer je draden spinnen fijner dan van materie.
Draden zijn het die woord aan woord spinnen en gedachte aan gedachte. Je kunt de gedachtenlijn volgen en ziet de rode draad. Het denken en spreken zijn zuiver geworden. Het denken is vrij geworden en volgt slechts de inhoud er van: het denken neemt waar.

Wat is een kleed, hiervan geweven? Het bestaat uit elkaar steeds weer kruisende draden. Zó geduldig en recht gelegd en ritmisch over- en onderdoor gehaald. Dit ritmische werk schept een nieuwe dimensie. Het is als ademen en het is als gaan zingen. Het zijn geen simpele causale gedachtengangen meer, maar je ontdekt, herkent en ontwerpt een hele 'analoge' structuur. Het vormt daardoor een vlak, dat is geen harde, maar wel een levende bodem. Het is muziek voor wie het wil horen. Het is dichten en meer dan slechts de woorden, er ontstaat een bodem die leven is. Grassen gaan groeien en planten. Er is een horizon. Het voelen is even zelfloos geworden.

Waar vinden we een kleed, dat door het oog van een naald past? Dat is een beeld, dat we in het bijbelverhaal ergens tegenkomen. Namelijk in de woorden, dat een kameel makkelijker door het oog van een naald kan komen, dan dat een rijk mens in de hemel kan komen. De aardse rijkdom past niet door het oog van deze naald. Aleen het zelfloos geworden willen, dat alle aardse stof kan loslaten: dit levende kleed, dat van hier tot aan de horizon met planten en bloemen is bedekt, het past er doorheen.

Dat kleed, dat zo fijn is, dat het dunner dan aardse stof is geworden, wie kan dat dragen? Weet U nog van die andere nieuwe kleren voor een keizer, die van Andersons sprookje? Hij droeg de kostbaarste kleren die er bestonden, maar noch hij, noch ook maar één van zijn onderdanen, konden dit onstoffelijke weefsel al zien. Hij wilde dat terwijl hijzelf, noch al zijn volgelingen er nog niet rijp voor waren. De enige, die dat besefte was een kind. Maar deze tsaar ziet het wèl. En ook stap voor stap.

In de winter is dit weefsel klaar en in de lente wordt het gebleekt. Het dichten en vlechten, het weven van de lijnen in elkaar, het is een gebeuren in de tijd. Maar het is een bodem voor een nieuwe wereld. Het vrouwtje herkent dit en zij weet waar het heen moet. Het is het hogere zelf, dat wacht op zijn op aarde gegroeide geheel nieuwe bodem en land...
Deze tsaar herkent het. Ook kent hij de wetten van de ontwikkeling.

Want wat zijn nu de uit deze kleden genaaide hemden? Zij zijn driedimensionaal; het zijn ruimtes, soepele ruimtes waar je in kunt. Het betekent ook, dat de bodem niet vlak meer is. Dat je hoogten en diepten leert kennen en goed en kwaad. Onderscheid tussen dood en leven, zwart en wit en spreken en zwijgen. Het is een prachtig beeld voor de ziel, die nu ook rijp wordt voor het hoogste bewustzijn, het intuïtieve. Twaalf op aarde geweven sterrenkleden zijn het, zoals die waarin de zon zich hult in haar gang door het jaar. De zon, als beeld voor het hogere zelf, kan nu deze kleden nieuw leren kennen, namelijk heengegaan door een ziel op aarde. In de volle betekenis van ook door de dood. Pas als de hemden klaar en goed bevonden zijn, laat hij Vasilisa halen. En ja, dan komt ook haar vader terug van zijn lange reis. Zowel hij als de oude vrouw, in feite de geheel zelfloos geworden 'moeder', de eigen innerlijke aardse moeder- ervaringen, mogen dan, evenals natuurlijk het popje, in het paleis blijven wonen. Het nieuwe huis voor de vergeestelijkte bewustzijnsziel, het geestzelf.

Een korte astrologische blik: Vader is koopman, dus in zijn werk gaat het om de waarde van dingen. Het sprookje begint nadrukkelijk met dat hij 'twaalf jaar getrouwd was – en maar één dochtertje had – dat acht jaar is als moeder sterft. Wanneer we het jaar zien op de aardse kalender is de achtste maand augustus. Astrologische gezien is dat met de zon in het teken Leo, Leeuw. Het kalenderjaar is dan begonnen met Januari in het atrologische teken Steenbok, het eerste aarde – teken, wat nogmaals kan wijzen op het belang van het element aarde, de fysieke materie. Het koninklijke of vaste vuurteken, de stabiele situatie van Vasilisa's eerste acht jaren, is Leeuw en daarmee begint het sprookje. Als moeder sterft, geeft ze haar dochter een popje, het fysieke lichaam, en daarmee begint het teken Maagd, het beweeglijke aarde element, het dienende en verwerkende aarde – teken. Het dienen begint volop met het tweede huwelijk van vader en de hulp van het popje, en zodra Vasilisa (aarde-) rijp wordt, de volwassenheid bereikt, wordt ze in het geleerde beproefd. De drie oudere zielenkrachten blazen het laatste licht uit en Vasilisa moet het donkere bos in naar Baba Yaga. De op stokken staande schedels met vuur erin, daarmee begint het. Het vuur binnen de materie. Dat is het vuur van de overlevingsinstincten puur. Dat is de hartstocht waarmee de baby huilt om voeding en warmte, zodra hij geboren wordt. Is dat te beheersen? Vasilisa toont dat al bij haar allereerste taak te kunnen en ze mag dan ook verder proberen. Het meest typische voor het teken Maagd is het sorteren, het controleren en onderscheiden van koren en kaf. Daaruit bestaan de twee volgende opdrachten. Dat ze die goed kan doen, ook de tweede, die al verwijst naar de diepte van de Schorpioen, verbaast de oude heks, en ze wil praten. Hiermee komen ze in het teken van de Weegschaal. Vasilisa weet inderdaad het verschil tussen binnen en buiten. De Schorpioen is ook gepasseerd en het Boze kan niet winnen. Hier weet de heks genoeg en mag Vasilisa gaan, waar ze tenslotte de schedel teruggeeft aan de aarde. Ze heeft nu het nieuwe vuurteken, Boogschutter, betreden en kan het pad vinden, met al haar verworven vermogens, dat haar nu leidt naar het vuur van de hemelse liefde. De geest – drift van het scheppen in geestelijke werelden, en het spirituele huwelijk.

Marianne Carolus

Roodkapje.jpg

Roodkapje, de geschiedenis van een sprookje

over menselijke ontwikkeling

Roodkapje is een oeroud verhaal uit de verzameling sprookjes in Europa. Het sprookje is met ons meegegroeid en veranderd, en laat ons daardoor onze innerlijke ontwikkeling zien. Het innerlijke ontwikkelingsniveau werd tijdens het matriarchaat (ca 10.000- 3000 v. Chr) door vrouwen gedragen. Dit kwam ook tot uitdrukking in de natuurgebonden wijsheid van de Europese volken voordat de Romeinen Europa binnenvielen.

Van de Europese natuurvolkeren stamt de vroegste versie van Roodkapje. De Romeinen brachten hun (oude) goden mee, maar al snel werd het patriarchale Christendom staats-godsdienst. Daarmee kwam een nieuw Roodkapje tevoorschijn. Uit de 19e eeuw stamt de laatste versie, die we kennen van Grimm. Pas nu kunnen we deze drie stadia naast elkaar leggen en iets begrijpen van de ontwikkeling van de vrouwelijkheid of de ziel binnen de mens.

In symbolische taal verbeeldt elk vrouwelijk karakter de ziel of een deel daarvan en elk mannelijk karakter de geest of zijn meest aardse dienaar: het (dierlijke) lichaam. Een oude vrouw verwijst naar oude zielenkracht en een kind naar nieuwe zielenkracht. In het sprookje gaat het over het innerlijke kind, dat drie keer (bijna) verzwolgen werd door een wolf. Wat is dat kind en wat is die wolf? Kan het gered worden en hoe dan?

Hier volgen drie versies: Middeleeuws (onbewuste wijsheid), 17e-eeuws (de rede) en 19e-eeuws (Romantiek) met 21e-eeuwse interpretaties (bewustzijnsziel).

Marianne Carolus, redactie Gertien Oosterhoff

1 Roodkapje in de Middeleeuwen
Een meisje gaat door het donkere bos naar haar zieke grootmoeder. Op een open plek staat groot en week de volle maan aan de hemel, omringd door talloze glanzende sterren. Hier ontmoet ze een bzou, een vrouwelijke weerwolf. Ze vertelt de bzou waar haar grootmoeder woont en de bzou vraagt haar of ze de weg van de naalden kiest of die van de spelden.
Als het meisje die van de naalden kiest, rent de bzou razendsnel via de weg van de spelden naar de grootmoeder en ze is daar dus eerder dan het meisje. Zij pakt grootmoeder beet, bijt haar dood, eet tot ze er haar buik mee vol heeft en doet de rest van het vlees in potten. Het bloed doet ze in flessen. Dan doet ze grootmoeders kleren aan en gaat in het bed liggen.
Als het meisje eindelijk aankomt, heeft ze honger en de bzou wijst naar de potten en flessen: 'Daar staat vlees en drank. Ga maar koken'. Het meisje bakt wat vlees en drinkt wat bloed. De kat op de vensterbank miauwt: 'Nu eet je de borsten van je grootmoeder! Nu drink je het bloed van je grootmoeder!', maar dat begrijpt het meisje niet.
Dan zegt de bzou: 'Doe nu je kleren uit en kom bij me in bed.' Ze doet het en vraagt waar ze de kleren zal laten. 'Gooi ze maar in het vuur', zegt de bzou, 'die heb je toch niet meer nodig'.
Eénmaal in bed komen de vragen: 'Maar grootmoeder, wat hebt u harige benen! 'Van het sjouwen en poetsen' zegt de bzou. Vervolgens komt de harige buik aan de beurt, 'Dat komt van het vele kinderen krijgen'. 'Maar grootmoeder, wat hebt u een harige armen!' 'Dat komt van het wassen en vegen'. 'Maar grootmoeder, wat hebt u harige borsten!' 'Dat komt van het zogen van al die kinderen' zegt de bzou. Daarna wil de bzou geen gevraag meer en zegt: 'En nu ga ik je opeten'.
Maar dan zegt het meisje: ' Wacht even. Ik moet plassen'. 'Doe dat maar in bed', zegt de bzou. 'Nee, nee, dat ruikt vies', protesteert het meisje. 'Ga dan maar even naar buiten', maar de bzou bindt wel een touw om de enkel van het meisje en houdt het andere einde stevig vast. Het meisje maakt buiten meteen de knoop los, bindt het touw aan een tak en rent er vandoor. Na een poosje ontdekt de weerwolf het bedrog en rent haar achterna, maar het meisje heeft een voorsprong.
Het meisje komt bij een rivier, waar wasvrouwen de lakens wassen. 'Willen jullie me over de rivier dragen?' 'Ja, spring maar op het laken'. De wasvrouwen dragen haar over het water. Als de weerwolf er even later ook aankomt, vraagt die hetzelfde en weer zeggen de vrouwen: 'Spring maar op het laken'. Hij springt, maar ze laten het laken zakken en de bzou verdrinkt.

Wat wil dit sprookje overbrengen?
Dit verhaal betreft het doorgeven van vrouwelijke wijsheid puur. Lisette THooft vermeldt, dat volgens de etnoloog Verdier de meisjes in het oudere Europa door oudere vrouwen de kunst van het naaien, koken en wassen werd bijgebracht. Tegelijk werden ze erop voorbereid als volwassenen te kunnen omgaan met de drie levensstadia van geboorte, huwelijk en sterven. In dat kader werd dit verhaal verteld. Wat het beleven betreft moet je er heel diep in gaan. Zo diep als het bewustzijn tijdens de slaap die donker is als de nacht zelf. We worden uitgerust en fris wakker van een goede slaap, maar hoe dat gebeurt is immers een wijsheid die verborgen is in dat donkere onbewuste. Het donker van woud en nacht is de plek waar de vitaliteit en de overlevingsinstincten zitten. De jonge vrouw heeft kennis nodig die het hele leven omvat, want elke vrouw is met haar lichaam heel nauw verbonden met de stroom van het leven. Die levensdraad verbindt de vrouw met moeder aarde en met grootmoeder maan en de dood met het leven. Drie vrouwelijke kunsten omvatten het leven.

Naaien en seksualiteit Naaien is de kunst van het verbinden van losse doeken tot één kleed. Een vrouw doet dat met drie soorten weefsels: textiel, de familie en het dorp. Toen de Romeinen in Europa kwamen, vonden ze er kleding die erg verschilde van die in de culturen die ze al kenden. Daar weefde men kleden en die werden omgehangen en vervolgens vastgezet met sierspelden. In Europa echter werd de stof geknipt. Er werden kledingstukken gevormd, die aansloten bij de vorm van de lichamen. Dat was uniek en er hoorde gereedschap bij: schaar, spelden en naalden. Hoe? De schaar moet tussen haar twee benen de rechte lap doorknippen om meerdere stukken passend te maken. Tweedimensionaal wordt driedimensionaal. De stukken worden om het lichaam heen aan elkaar gepast met spelden, die een kop en een punt hebben en dienen om twee lappen tijdelijk aan elkaar te verbinden. Ze gaan nooit helemaal door de stof heen, maar erin en langs dezelfde weg weer terug. Er zijn meerdere spelden nodig, die men kan verplaatsen en pas als het model goed zit, komt de naald er bij. Die heeft geen kop, maar een spleetvormig gat. Hiervan is er maar één nodig en hij draagt een draad mee dóór de stof heen. De naald is nodig om iets als geheel af te leveren, zowel door kapot weefsel te herstellen als door iets geheel nieuws te maken. Een blijvende verbinding is gemaakt. Daarna wordt hij weer opgeborgen en bewaard; hij is kostbaar. Iets vergelijkbaars, maar dan met levend mensenweefsel, gebeurt bij de geboorte en de ziekenverzorging en de sociale contacten.
Bij de seksuele vereniging tussen een vrouw en een man kan het gaan om een tijdelijk contact, zoals twee weefsels tijdelijk door een speld aan elkaar verbonden worden. Wanneer er tussen man en vrouw een diepere verbondenheid tot stand komt, wordt er een levensdraad meegenomen.
De weg van de naalden is voor vrouwen ook de weg die ze gaan, als ze kinderen krijgen. De weefsels van vaderlijke zaadcel en moederlijke eicel worden blijvend verbonden en het nieuw ontstane leven nestelt zich in het huisje van de baarmoeder. De volle maan draagt het complete lichtkleed van haar vrouwelijke wijsheid, omringd door talloze speldenknopjes van glanzende sterren. Spelden en naalden hebben dus een heel verschillende taak.
In het Nederlands zeggen we 'iemand iets op de mouw spelden' wat betekent 'iemand voor de gek houden' en 'zoeken naar een naald in een hooiberg', waarbij de kans op vinden minimaal is.

Koken en voortplanting Het vuur onder de kookpot moet warm genoeg zijn, anders wordt het eten niet gaar; het mag niet te heet zijn, want anders verbrandt het voedsel. De vrouw heeft drie kookpotten: één in de hut, één in haar borst (het hart) en één in haar onderbuik (de baarmoeder). Is het te heet of juist niet warm genoeg, dan hongert het gezin en wordt voor de maatschappij niet te verteren. Het meest gevaarlijk is de kookpot baarmoeder, boven het vuur van de hartstocht. Elke vruchtbare vrouw verliest in het maanritme één keer per maand weefsel en bloed aan de dood. Maar ze kan ook leven geven: een kind krijgen en een zuigeling voeden. Het deel hebben aan deze natuurlijke processen door de generaties vrouwen is een slachten, eten en drinken van de stroom die direct met aarde en maan verbonden is. De wolf - of de materie – vreet elk leven het liefst op in de vurige hartstocht van de eerste verliefdheid, van testosteron. De algemene wet is dat oude vrouwen eerder sterven dan jonge. De wolf van de dood slacht eerst de grootmoeder. Elke maand wast de maan en wordt vol en zo rijpt in elke vrouw eens per maand een eitje en groeit in de baarmoeder een nieuw slijmvlies. Elke volle maan kunnen hongerige weerwolven ontstaan. Zoals de maan elke maand weer afneemt, zich in veertien achtereenvolgende stukken verdeelt tot ze totaal onzichtbaar is, sterft in elke niet bevruchte vrouw het eitje af evenals het slijmvlies van de baarmoeder. De baarmoeder wordt een pot met afgeslacht weefsel en bloed voor de dood die het terug draagt in de natuur. Nieuwe maan is totale verinnerlijking; buiten is alleen de blije zon.
Is het eitje wèl bevrucht, dan voedt het vruchtje zich via de gevormde moederkoek in de baarmoeder met het bloed van de moeder. Door de navelstreng is het ongeboren kindje tien manen lang met haar leven verbonden geweest, drijvend in water. Dan komt de bevalling en elk kind wordt door de baarmoeder naar buiten gestuurd, het aardse bos in. Daarbij verliest de moeder weefsel en bloed. Het kindje heeft een rood kapje op en krijgt een moederkoek mee en bloed. De cirkel is rond. De vrouw is geheel ondergedompeld in het leven van de natuur, de krachtstroom tussen maan en aarde. Het pasgeboren kind neemt de menselijke borsten en voedt zich; de volwassen geworden vrouw kent de geheimen van voeding: de vruchten en sappen zijn vlees en bloed van grootmoeder aarde en zij kan ze bereiden, eten en drinken. De kat, vrouwelijk als ze is, beseft dit al lang.

Wassen en overleven Wassen is het verbreken van verbindingen, die er niet moeten zijn. Stof, afval, bacteriën, luizen, vlooien en ander ongedierte verbinden zich met de huid, de kleren en de bedden en meubelen, wanneer deze niet worden gewassen. Wassen om rein, om zichzelf te blijven. De vrouw wast textiel, levenden (kinderen, zieken) en lijken. Bij een geboorte vaak alle drie. De wolf ligt bij elke bevalling naast de barende en haar kind in het bed. Er was ooit veel sterfte onder zuigelingen en onder kraamvrouwen. Maar dit sprookje toont wat je moet doen als de dood je wil pakken. Dit meisje doet het je voor. Je moet voelen, dat je moet plassen: dat je je innerlijke water moet loslaten. Dan moet je de band van leven, die je bindt aan de materie van je lichaam, losknopen en weer teruggeven aan de natuur. Het kleed, dat je tot dan toe droeg, het vrije stoffelijke lichaam, is verbrand in het vuur des levens, misschien in hoge koorts, zoals bij kraamvrouwenkoorts. Wanneer zij haar levensdraad aan de tak heeft geknoopt, laat de ziel ook het levenslichaam los. Zij kan dan heel snel de rivier bereiken. Dit is de rivier tussen het aardse en het hemelse rijk, of tussen het aardse leven en het land van de zielen, het dodenrijk. De ziel herkent de wasvrouwen, degenen die de lijken afleggen. Het witte kleed van de ziel die het aardse heeft losgelaten: hoe meer ze het vergankelijke kan loslaten hoe witter ze is. En helemaal losgelaten ben je als ziel zo licht geworden, dat je vanzelf aan de overkant komt. Uiteraard zit er in de stervende nog de drang tot leven en die wil de ziel vasthouden om op aarde verder te kunnen leven. Maar zonder ziel en bezielende geest of persoon kan het lichaam slechts verdrinken in de stroom van het leven der natuur. Het sprookje vertelt, dat je als mens je innerlijkheid, je blanke ziel en je wezenskern kunt redden en veilig aan de overkant kunt aankomen, wanneer je lichaam op aarde sterft.
Deze wijsheid geven vrouwen door aan vrouwen in een stroom van samen gedragen wijsheid. Deze wijsheid is de onzichtbare derde levensstroom. De eerste is de stroom van levend water die door de weefsels van de vrouw stroomt, de tweede die van de rivier tussen het aardse en het hemelse rijk, en de derde die van de wijsheid binnen de generaties van vrouwen. Zij voeden en dragen het innerlijke kind op haar reis tussen aardse en hemelse werelden.

2 Roodkapje van Perrault (17e eeuw)

Er was eens een meisje dat in een dorp woonde en een liever meisje was er niet; haar moeder was dol op haar en haar grootmoeder nog meer. Zij liet een klein rood kapje voor haar maken en dit stond haar zó aardig, dat iedereen haar Roodkapje noemde. Moeder had eens ronde platte koeken gebakken, en zei: 'Ik hoorde dat grootmoeder ziek is; ga eens kijken hoe het met haar is en neem een koek mee en een potje boter'. Roodkapje ging dadelijk op weg naar grootmoeder, die in een ander dorp woonde.

In het bos kwam ze vadertje wolf tegen, die meteen zin kreeg om haar op te eten, maar het niet durfde omdat er houthakkers aan het werk waren. Hij vroeg haar waar ze naar toe ging en het arme kind - dat niet wist hoe gevaarlijk het was naar een wolf te luisteren – vertelde: 'Ik ga mijn grootmoeder opzoeken en haar een koek en een potje boter brengen van moeder'. 'Woont zij ver weg?', vroeg de wolf. 'O ja', zei Roodkapje, 'helemaal voorbij de molen daar, ginds bij het eerste huis van het dorp'.
Toen zei hij, dat hij haar zelf ook een bezoek wilde brengen. 'Ik ga deze weg en jij die andere en dan zullen we zien wie er het eerst is'.
Hij holde zo hard hij kon over de kortste weg. Het meisje nam de langere weg en ze vermaakte zich met het rapen van hazelnoten, het plukken van bloemen en het na huppelen van vlinders.
De wolf kwam al snel bij de grootmoeder en hij klopte op de deur. 'Wie is daar'? Hij verdraaide zijn stem en riep: 'Uw kleindochter Roodkapje met een ronde koek en een potje boter van moeder'. Grootmoeder, die in bed lag riep: 'Trek maar aan het touwtje, dan gaat de deur vanzelf open'. Hij trok aan het touwtje en stormde naar binnen. Hij verslond het oudje in een oogwenk want hij had al drie dagen niets gegeten. Hij deed de deur dicht en ging in grootmoeders bed liggen wachten.
Kort daarna kwam Roodkapje en klopte aan. Hij riep: 'Wie is daar?' met zijn zware stem en ze werd bang, maar toen dacht ze eraan dat grootmoeder verkouden was en ze antwoordde: 'Uw kleindochter Roodkapje met een ronde koek en een potje boter van moeder'. De wolf antwoordde nu met een zachtere stem: 'Trek maar aan het touwtje, dan gaat de deur vanzelf open'. Ze trok de deur open en kwam binnen.
De wolf verstopte zich onder de dekens en zei: 'Leg de koek en het potje boter maar op de broodkist en kom bij mij in bed'. Ze kleedde zich uit en ging in het bed liggen, waar zij hevig schrok van hoe grootmoeder er in haar nachtkleren uitzag. 'Maar grootmoeder wat hebt u een grote armen!' 'Dat is om je beter te kunnen omhelzen, dochtertje'. 'Maar grootmoeder, wat hebt u een grote benen!' 'Dat is om harder te kunnen lopen, mijn kind'. 'Maar grootmoeder, wat hebt u een grote oren! 'Om beter te kunnen horen, mijn kind' 'Wat hebt u een grote ogen!' 'Om beter te kunnen zien, mijn kind'. 'Maar grootmoeder, wat hebt u een grote tanden!' 'Dat is om jou op te kunnen eten', en de akelige wolf wierp zich op Roodkapje en at haar op.

Dan volgt de 'Moraal' en wel op rijm. Dit rijm legt uit dat het verhaal bedoeld is om de jeugd en vooral mooie meisjes, te waarschuwen. Door het luisteren naar allerhande lieden kunnen zij ten val komen. Zij worden door de wolf opgegeten. En vergis je niet, de hoofse, omzichtige, zachte en inschikkelijke, maar aanhoudende wolven, die de jonge juffers blijven volgen tot in de huizen en in de gang, die zijn het aller gevaarlijkst.1

Wat is de boodschap van dit sprookje?
Hier gaat het niet meer over de stroom van het leven die via geboorte, liefde en dood door elk vrouwenleven heen stroomt. Hier spreekt de man tot de vrouw. Hij licht haar voor, niet over het vrouw zijn, maar over hoe mannen zijn en over hoe zij wensen dat vrouwen zijn. Dat is niet mis. Het komt erop neer dat zij vrouwen willen verschalken en dan verachtelijk willen wegdoen. Maar tegelijk willen zij dat een vrouw onbezoedeld, geheel zuiver blijft, in feite een onschuldig kind. Eerst geheel gehoorzaam aan de man die haar verwekt heeft en vervolgens aan de man die in haar zijn kinderen wil verwekken. De ronde platte koek en het potje boter lijken in deze context te wijzen op het maagdenvlies en hoe uit het melkachtige sap van de frisse karnton door de levende mannelijke karnstok heerlijke vette boter gekarnd kan worden.

De eerste alinea noemt weliswaar de generaties van vrouwen, maar hun geschenken zijn symbolen voor haar voortplantingsorganen en niet om kinderen te baren, maar als lustorganen voor de man. Het mannelijke oerinstinct, zijn geslachtsdrift, wil het liefst van elke los in het leven lopende vrouw genieten en liever geen brood in de broodkist achterlaten, dus geen zwangerschap veroorzaken. De los lopende vrouw is weerloos en heeft bescherming nodig. Zelfs de brave houthakkers die de kost verdienen voor hun gezin, betekenen al bescherming. Alleen een man die bereid is een door zwangerschap, zogen en huishouden verzwakte vrouw te beschermen en te voeden, en dat met een huwelijk bezegelt, mag zij ooit als minnaar accepteren, tenminste als haar vader hem goedkeurt.

De vrouw zelf moet er voor zorgen dat zij geen enkele man vertrouwt en in haar huis, de burcht van haar lichaam, binnen laat. Zij moet weten wat de man drijft en zich daartegen beschermen. Geeft zij zich aan hem over? Vertrouwt zij hem? Zonder dat huwelijkscontract met toestemming van vader? Dan geeft ze zich slechts over aan zijn woeste rivier van voortplantingsdriften en verdrinkt. De dynamiek hier is voor vrouwen heel confronterend. Zij kunnen slechts reageren door kinderlijk gehoorzaam te zijn. Maar tegelijk kan die kinderlijke gehoorzaamheid ze in het ongeluk storten. Ze had die wolf niet moeten vertrouwen. Ze had hem niet moeten vertellen wat ze ging doen. In feite gaat het om het alleen zijn. Ze kon niet alleen zijn, maar deelde meteen haar hele hart mee.

Wordt dat haar alleen in het bos fataal? Zou een keurig huwelijk haar gered hebben? Ze blijft een kind en dat wordt haar ongeluk. Ze is zelf een stukje natuur, één met de hazelnootjes, vlindertjes en bloempjes om zich heen. Ze moet – volgens Perrault - leren om haar mond en haar deuren dicht te houden. Ze moet niet langer één zijn met de natuur, er geheel in opgaand en een ieder vertrouwend. Anders vreet de wolf in de man haar op. In die tijd konden alleen vrouwen die deze geslotenheid hadden, zich handhaven. Zo niet, dan hadden zij een man nodig of een klooster. Zij moeten leren een eigen innerlijkheid te ontwikkelen, waarin dat pure kind kan overleven. Individualisering betekende vroeger vaak de dood. Als straf - met name bij ongehoorzaamheid aan het groepsritueel – werd men uit de groep verstoten. Dit was heel wat mannen in oertijden overkomen. Vrouwen bleven hun kind omvatten, hun gezin voeden en kleden. Zij bleven daardoor veel langer deel van het geheel.

Maar die verbondenheid met de levensstroom van generaties vrouwen vindt zij hier niet meer. Verbijsterd herkent zij in het bed van haar oermoeder niet langer de dood met het harige weerwolfslijf maar een wolf van begeerte en macht. Niet langer de dood als de altijd aanwezige metgezel van het leven, maar de man. Geen natuurlijke aftakeling en uitputting, maar juist kracht met veel te grote benen en armen als manifestatie van bezitsdrang en macht: hij neemt haar niet alleen haar leven af, maar allereerst ook haar zelfrespect, zelfbeschikking en de mogelijkheid tot zelfstandig voortgaan. Een heel andere wolf! Een heel andere raad! Dit is de tijd van de inquisitie! Heksen en 'ongelovigen' worden gemarteld en verbrand. Het onschuldige, open en naïeve kind wordt verslonden door deze wolf. Hij omsluit het. Als een stevige burcht? Een kerker? Zij zelf wordt onzichtbaar. Het laatste wat we van haar zagen was het kind, spelend met hazelnootjes, vlindertjes en bloemetjes. Ze kon opgaan in het geheel verbonden met de andere vrouwen, maar dat moest verdwijnen in een wolf, een huis of een klooster. In een binnenwereld en alleen daar konden ze ook in zichzelf naar binnen toe. De individualisering betekent de eenzaamheid en de dood, want elk leven wordt door de kosmos, de omtrek gevoed. Bij Perrault sterft de ziel.

3 Roodkapje van Grimm
Er was eens een schattig klein meisje. Iedereen die haar zag, vond haar lief en vooral haar grootmoeder die gewoon niet meer wist wat ze het kind allemaal moest geven. Een keer gaf ze het een kapje van rood fluweel en omdat het haar zo mooi stond en ze niets anders meer dragen wilde, werd ze toen Roodkapje genoemd.
Op een dag sprak haar moeder tot haar: 'Kom, Roodkapje, hier heb je een stuk koek en een fles wijn, breng dat naar grootmoeder toe. Ze is ziek en zwak en daar zal ze van opknappen. Maak je klaar vóór het te warm wordt en als je naar buiten gaat, gedraag je dan netjes en loop niet van de weg af. Anders val je en dan breekt het glas en heeft grootmoeder niks. En als je in haar huisje komt, vergeet niet 'Goede morgen' te zeggen en kijk niet eerst rond in alle hoekjes en gaatjes'. 'Ik zal het heus wel goed doen', zei Roodkapje tegen haar moeder en gaf er haar hand op.
Grootmoeder woonde echter in het bos, een half uur buiten het dorp. Toen Roodkapje in het bos was, kwam ze de wolf tegen. Maar Roodkapje wist niet wat voor een boos dier dat was en ze was niet bang. 'Goede dag, Roodkapje', sprak hij. 'Dank je wel Wolf'. 'Waar ga je zo vroeg heen, Roodkapje'? 'Naar grootmoeder'. 'Wat draag je daar onder je schortje?' 'Koek en wijn: gisteren hebben we gebakken en nu moet ik de zieke en zwakke grootmoeder iets goeds doen, waar ze van opknapt'. ' Roodkapje, waar woont je grootmoeder?' 'Nog ruim een kwartier verder het bos in, onder de drie grote eiken, daar staat haar huis; daar onder is de notenhaag, dat zul je wel weten', zei Roodkapje. De wolf dacht bij zichzelf: 'Dat jonge tere ding is een mals hapje, die zal nog beter smaken dan die oude: als je het slim aanpakt kan je ze alle twee hebben'. Hij liep een stukje met haar mee. Toen zei hij: 'Roodkapje, kijk eens wat een mooie bloemen hier overal staan, waarom kijk je niet om je heen? Ik geloof dat je niet eens hoort hoe lieflijk de vogeltjes zingen? Je loopt daar maar recht vooruit alsof je naar school gaat, en het is toch zo fijn in het bos'. Roodkapje sloeg haar ogen op en toen ze zag hoe de zonnestralen door de bomen heen en weer dansten en alles vol prachtige bloemen stond, dacht ze: 'Als ik grootmoeder een frisse bos bloemen geef, zal ze daar blij van worden en het is nog zo vroeg in de morgen, dat ik nog best op tijd aan kom', en ze liep van de weg af het bos in en zocht bloemen. En als ze er één geplukt had, meende ze verderop een nog mooiere te zien en ging er heen en zo raakte ze steeds dieper het bos in.
De wolf echter liep rechtstreeks naar het huis van grootmoeder en klopte aan de deur. 'Wie is daar?' 'Roodkapje, en ze brengt koek en wijn'. 'Druk maar op de klink', riep grootmoeder, 'ik ben te zwak om op te staan'. De wolf drukte op de klink en de deur sprong open. Hij liep zonder een woord te zeggen recht op het bed van grootmoeder af en slokte haar op. Toen trok hij haar kleren aan, zette haar mutsje op, ging in het bed liggen en schoof de beddengordijntjes dicht.
Roodkapje echter was helemaal opgegaan in het bloemen plukken. Pas toen ze zóveel had dat ze niet meer kon dragen, herinnerde ze zich grootmoeder en begaf zich naar haar huisje. Ze verbaasde zich, dat de deur open stond. Toen ze het huisje binnenkwam, voelde het zo vreemd dat ze dacht: 'O wee, wat word ik bang vandaag, terwijl ik toch altijd juist zo graag bij grootmoeder ben!' Ze riep: 'Goedemorgen', maar kreeg geen antwoord. Ze ging naar het bed en trok de gordijntjes open. Daar lag grootmoeder met haar mutsje diep over haar gezicht getrokken en ze zag er zo eigenaardig uit. 'Hé grootmoeder, wat heb je een grote oren!' 'Dan kan ik je beter horen'. 'Hé grootmoeder, wat heb je een grote ogen!' 'Dan kan ik je beter zien'. 'Hee grootmoeder, wat heb je een grote handen!' 'Dan kan ik je beter vastpakken'. 'Maar grootmoeder, wat heb je een ontzettend grote mond!' 'Dan kan ik je beter opvreten'. Nauwelijks had de wolf dat gezegd, of hij was het bed al uit en verslond het arme Roodkapje.
Toen de wolf verzadigd was ging hij weer op het bed liggen, viel in slaap en begon luidkeels te snurken. De jager kwam juist langs het huis. Hij dacht: 'Wat snurkt die oude vrouw, je moet even kijken wat er met haar aan de hand is'. Hij liep het huisje in en toen hij bij het bed kwam, zag hij de wolf daar liggen. 'Vind ik je hier, jij oude zondaar', zei hij, 'ik heb je lang gezocht'. Hij wilde juist zijn geweer aanleggen toen hij bedacht dat de wolf grootmoeder wel eens kon hebben opgevreten en dat ze misschien nog te redden was. Daarom schoot hij niet, maar pakte een schaar en begon de slapende wolf de buik open te knippen. Toen hij een paar knippen gedaan had zag hij het rode kapje oplichten en na nog een paar knippen sprong het meisje eruit en ze riep: 'Och, wat was ik geschrokken en wat was het donker in de buik van de wolf!' En toen kwam de oude grootmoeder ook nog levend naar buiten en kon nog maar nauwelijks ademhalen. Roodkapje echter haalde snel grote stenen en daarmee vulden ze de buik van de wolf. Toen hij wakker werd, wilde hij meteen opspringen, maar de stenen waren zo zwaar dat hij meteen dood neerviel.
Ze waren alle drie in hun sas. De jager stroopte de wolf zijn pels af en ging daarmee naar huis; grootmoeder at de koek en de wijn die Roodkapje gebracht had en knapte er van op. Roodkapje echter dacht: 'Van mijn leven ga ik niet weer van de weg af en het bos in lopen wanneer moeder het verboden heeft'.

Wat is hier de boodschap?
Allereerst spat de vitaliteit er van af. Het begint met liefde. Grootmoeder is zó gek op haar, dat ze niet meer weet wat haar te geven. Het klinkt als voltooid, als de octaaf van het verhaal uit de middeleeuwen. Alsof er iets klaar is. Alles is gegeven.
De dag begint als een kind, de morgenstond is schoon en fris en dit kind is het allermooist als ze het rode kapje van de opkomende zon draagt. Zodra we wakker worden, wordt ons bewustzijn helder en begint de innerlijke zon van onze geest te stralen. Die wakkerheid is een mannelijke kwaliteit en hoort bij de linker hersenhelft. Daar zetelt ook het analyserende verstand, dat alleen dode materie nauwkeurig kan onderzoeken. De kennis uit het ontleden van lijken is de basis geworden van de wetenschappelijke geneeskunde. Wolfsgeneeskunde. De nacht en de maan horen bij de slapende en dromende mens, bij de rechter hersenhelft en bij de vrouw. De drie generaties vrouwen, grootmoeder, moeder en kleinkind, zijn hier op te vatten als zielenkrachten; grootmoeder draagt de oudste kracht, de gewaarwording, moeder de krachten van verstand en gevoel en het kind die van het wakkere bewustzijn. Als de maan oud geworden is en ondergaat geeft ze het kapje van morgenrood aan de jonge dag. Het innerlijke kind heeft kwaliteiten van zowel vader als moeder.
Bij natuurvolken2 gaan mannen om met de dood: jagen en strijden. De vrouwen verzorgen het leven: telen planten, bereiden voedsel en krijgen kinderen.
Het rode kapje - de stroom van het leven in het bloed - dat de vrouwelijke generaties aan elkaar doorgeven, nu gloeiend in het heldere licht van het ontwaakte bewustzijn, is wat het kind het liefst draagt. Dit kind is het zuivere onschuldige kind zoals het van nature is: het is nog niet wakker, maar er wel klaar voor. Het gaat hier niet meer om een meisje, maar om een kind. Ze krijgt koek en wijn mee, ooit alleen beelden voor placenta en bloed, maar nu voor veel meer. Graan dat vermalen is tot stof, met water vermengd en luchtig gerezen, dan door de vuurdood heen is gegaan, wordt tot voeding voor het leven. Wijn is van kapot getrapte druiven (dood) in kelders en vaten gerijpt (begraven) tot er door gisting de 'geest' in komt (opgestaan). Dat maakt ze tot teken voor de menselijke ziel en eeuwige geest, die door dood en opstanding heen zijn gegaan.
Moeder geeft raad: 'Voor het warm wordt' (gevoel.) Dat herinnert aan het verbranden van de kleren van de jeugd en de onschuld in de Middeleeuwse versie van Roodkapje. Ze (het verstand) waarschuwt dat de fles kan breken wanneer ze het pad verlaat en dat is een symbool voor het sterven van het lichaam. Het leven stroomt er dan uit. Ga recht op je doel af. Dat is haar boodschap, en dat herinnert ons aan het dwalen bij Perrault. Ze (de mensenziel) krijgt een nieuwe, derde kans en opnieuw komt de mensenziel in het bos van het leven de wolf tegen. Deze keer loopt hij gezellig een eindje mee en hoewel hij onmiddellijk weet dat hij haar wil nemen en opvreten, geeft hij iets. Misbruik van kinderen begint meestal op deze zelfde manier. Hij laat haar zien hoe veel mooier de echte levende natuur is dan het leren op school.
Het kind (bewustzijnsziel) herkent in de natuur om zich heen de schoonheid en puurheid van de natuur in haar eigen ziel, maar vanuit een afgeslotenheid ('Je loopt daar maar recht vooruit alsof je naar school gaat') en een nieuw ontwaken en weet: 'Dit wil ik geven aan grootmoeder'. Maar om te geven moet ze nemen: ze plukt steeds meer. Hier blijkt iets wonderlijks te gebeuren: de bloem die je nog niet geplukt hebt, is steeds mooier dan de bloem die je al plukte. Terwijl je hem plukt, wordt de andere die iets verder staat, in jouw ogen al mooier. Wat gebeurt hier? Ze leert de polariteit van geven en nemen kennen en het kantelpunt.
De wolf gaat nu recht op zijn doel af: hij verzamelt slim de nodige informatie en snelt naar grootmoeder. Grootmoeder woont op de plek waar eertijds de wijze vrouwen woonden, herkenbaar aan de notenhaag en de drie eiken. Zij is daarmee evenals in de Middeleeuwse versie van het sprookje het archetype van de oermoeder zelf. Hij heeft haar 'opening' gevonden: hij hoeft zich slechts voor te doen als haar geliefde kleindochter. Zij verlangt zó naar het kind dat zij niet hoort dat het een heel andere stem is. Hij maakt er haast mee: hij verslindt haar levend. Grootje zit nu in de wolf en prompt doet hij haar kleren aan en zet haar mutsje op. Kleren zijn je buitenkant zoals je lichaam de buitenkant is van je ziel. Hij is – van buiten - tot grootje geworden. Zo komt de weerwolf van de oerversie hier ook weer tevoorschijn.
Roodkapje beleeft ondertussen ook haar lichaam. Het heeft een grens. Ze kan niet nog meer bloemen in haar armen nemen. Haar lichaam zegt stop. Dat brengt haar met een schok terug bij zichzelf. De geslotenheid die Perrault haar zo dringend toewenste is inmiddels ontstaan doordat ze dieper in haar lichaam zit dan de meisjes uit vroeger tijden. Ze heeft zich opnieuw geheel verloren in de natuur, maar nu ook in het onverzadigbare wezen van het begeren zelf: zij ontwaakt aan haar lichaam. Opeens herinnert ze zich – dankzij haar lichaam – wat ze van plan was: het mandje met koek en wijn naar grootmoeder brengen. Zij gaat er heen. Zij is een bewust wakker wordend kind en merkt meteen, dat het niet goed is dat de deur open staat. Ze wordt bang. Perraults 'dicht houden' kan ze nu beseffen. Ze realiseert zich haar angst, maar gaat toch naar binnen.
Nu volgt de herkenning en ontmaskering van deze derde wolfsgestalte. Niet de vrouwelijke weerwolf dit keer, met ouderdom, rimpels en lelijkheid, ook geen mannelijke macht en jachtwellust met enorme armen en benen, maar de begeerte zelf: grote ogen, grote oren en grote mond. Op het moment dat ze hem herkent (kantelpunt) is het te laat. Grootmoeders gestalte, de mens die haar alles wel wil geven, verbergt het begeren, dat alles wil nemen. Grootmoeder, moeder en Roodkapje zijn vrouwelijk. Zij tonen de oudere (open) en jongere (gesloten en opnieuw open) zielenkrachten. Het wolf-archetype is het oude instinct van de mannelijke aard, die als zodanig bij Perrault verscheen. Perrault kwam zelf als mannelijke verteller steeds waarschuwend in het sprookje naar binnen. In het derde sprookje is die beschermende mannelijke kwaliteit gegroeid tot de jager die niet jaagt, maar hoedt. Hij is wakker, net als Roodkapje, maar ervarener en hij hoort het snurken, wat niet klopt. Hij gaat naar binnen en vindt de 'oude zondaar', die hij 'lang heeft gezocht'.
Het gaat hier om een kantelpunt. [We spreken in de maatschappij van een kantelpunt als het erom gaat of de aarde nog te redden is, wat betreft de klimaatverandering door milieuschade en uitbuiting. In ons allemaal zijn er ook zulke kantelpunten.] Is het innerlijke kind nog te redden, is de onschuld die we kwijtraakten, nog terug te vinden? Hoe we die dan terugvinden zegt het sprookje. De wolf is verzadigd en komt tot rust: Hij ligt te snurken. Grootmoeder was verzadigd: ze weet niet meer wat ze haar kleinkind nog kon geven. Roodkapje zien we ook zoiets meemaken: als haar lichaam haar de grens stelt. De jager heeft dat punt ook al bereikt: hij jaagt niet meer maar verzorgt en behoedt. Het is een kwestie van rijpen. Het vraagt naast wakker worden ook om tijd.
Wanneer de mens merkt dat er iets niet klopt en hij naar binnen gaat bij zichzelf, vindt hij zijn eigen schaduw. Als we in goede therapie gaan, (zoals transformationele psychotherapie) worden we met onze schaduw geconfronteerd. Wie iets afschuwelijks heeft meegemaakt, kan meestal slechts overleven door dat trauma weg te duwen. Men pantsert zich en overleeft. Het onverwerkte trauma verdwijnt in het onderbewuste, maar het zit er wel en het zit zo iemand wel dwars. Het stookt en rumoert, maar is niet herkenbaar. Hij krijgt het niet meer te pakken. De jager vindt het nu hij er wakker voor is, maar niet meer zoekt. Hij schiet niet, maar pakt een schaar. Het geweer is een bij uitstek mannelijk gereedschap. De schaar met zijn twee benen is vooral het werktuig van de vrouw. Hij heeft genoeg vrouwelijkheid om dit monster kalm te kunnen openen in plaats van het neer te knallen.
Dan komen zowel het pure innerlijke kind eruit als de wijze oermoeder van het aardse menselijke leven. Brood en wijn bezegelen het zich terugvinden als eeuwige wezenskern. De wolf krijgt stenen in zijn buik, dode materie in plaats van levend brood, want dat is wat er thuishoort in het wezen van de begeerte zelf: dingen, vergankelijkheid. Dan is opnieuw de vrouwelijke bezigheid met de naald nodig en evenals in het Middeleeuwse verhaal gaat deze wolf ten onder aan zijn eigen zwaartekracht. De jager ontneemt hem zijn pels en brengt hem daarmee tot zijn ware bestemming. Omhulling. Buitenkant die de ziel dienend omvat.
Hier komen we helemaal terug naar het Paradijs. Er was één mens, mannelijk-vrouwelijk. Tijdens zijn slaap nam God een rib uit dat lichaam en vormde daaruit de vrouw. Daarna werd die mens wakker als een man. Tegelijk werden de lichamen sterfelijk. De mens die iets van binnenuit kwijt was, vond dit in een eigen, zachtere vorm, buiten zichzelf terug. De mannelijke helft van de mens kon in zijn seksualiteit de vrouwelijke helft omvatten, er in binnendringen en weer één worden. De ongeslachtelijke voortplanting en een fysiek onsterfelijk bestaan, is voorgoed voorbij.
Eén levensdraad verbindt de aardse vrouw met moeder aarde en grootmoeder maan. Elke moeder geeft haar door aan haar dochter. Dit feit wordt wijs doorgegeven in de eerste Roodkapje-versie. De ziel is en blijft verbonden met het leven, de natuur en de andere vrouwen.
In de tweede versie leert Perrault vanuit de patriarchale structuur van het jonge Europese Christendom de vrouw de wijsheid van de man, de aarde, de dood en de vergankelijkheid. Zowel vanuit de uitgeholde mens (de verslindende mannelijke wolf), als vanuit de beginnende beschermer. Hij leert de vrouw dat ze open is als een kind, maar een gesloten buitenkant nodig heeft als ze op zichzelf wil komen te staan. Losgerukt uit haar verbondenheid gaat haar ziel de eenzaamheid en de dood in.
Grimm richt zich zowel op vrouwelijke als op mannelijke kinderen en volwassenen. Zij kunnen in hun ziel hun eigen archetypische gestalten herkennen. De wolf die het oervrouwelijke leven en het zuivere kind verslindt. Maar ook de kantelpunten. Het zich sluiten en 'verstandig' worden van de ziel, maar ook het opnieuw ontwaken.
Het mannelijke bij Grimm kan als omhullende beschermer het verloren vrouwelijke element weer omvatten. Waardoor het innerlijke kind als toekomstige complete mens gered wordt voor de toekomst.
De ontwikkeling laat zien waarom de dood of verborgenheid onvermijdelijk was en hoe we dit innerlijke kind weer konden bevrijden. [Eenmaal in de 4e fase aangekomen kunnen we de drie stadia behalve bij ons zelf ook herkennen in de tradities van volkeren elders op de wereld en bij de duizenden migranten: oude natuurwijsheid die soms in Afrikaanse tradities nog heerst, godsdienstijver die in Azië heerst. Hun integratie in Europa kan een rol spelen in de bevrijding die Grimm tenslotte liet zien.

[Nawoord
De dynamiek, de 'spelers' en hun werking op elkaar is een proces van de ziel, die immers leeft in de tegenstellingen van lachen en huilen, liefde en haat. Hier moeten we goed beseffen, dat in elke ziel zowel mannelijke als vrouwelijke kanten, dus 'personen' bestaan. Elke ziel leeft in polariteiten van lachen en huilen, dankbaarheid en woede, geven en nemen. Alleen ons lichaam is ofwel mannelijk, ofwel vrouwelijk. Tenslotte gaat het om de zin. Dat is datgene van het sprookje wat mijn ik, mijn groeiende geestelijke wezenskern, voeden kan. Dat noem ik de interpretatie. Daarbij is het goed te beseffen dat deze wezenskern eeuwig is en groeit door meerdere aardelevens heen, door ervaringen als man en als vrouw. ]

Bronnen
Ugo Janssens, 30.000 jaar mysterie, vrouwen van godin tot slavin, 2010 Gent.
1 Middeleeuwse versie: Lisette Thooft & Mieke Bouma, Waarom de heks in de oven verdween. Lisette heeft deze versie gevonden in 'Facons de dire, facons de faire' van Yvonne Verdier, 1979, over het Franse dorpsleven van vroeger. Zo werd het in de Middeleeuwen verteld. Boekerij Meulenhoff 2014.
2 17e eeuw: Charles Perrault, Sprookjes van moeder de gans. L.J.Veen, Wageningen, 1975. Dit verhaal is door Charles Perrault opgeschreven (1628 - 1703) met een voorrede waarin hij zegt ze beter te vinden als voorlichting voor vrouwen dan de verhalen van de klassieke oudheid, waarin de vrouw er vaak niet goed vanaf komt. Hij vindt dat vrouwen juist op een positieve en bemoedigende manier opgevoed moeten worden. Dat doet hij in de genoemde toelichting aan het slot, de Moraal . Ik vertelde zijn verhaal van Roodkapje na.
3 19e eeuw: Brüder Grimm, Kinder- und Hausmärchen, 2003 Albatros, Düsseldorf (In mijn eigen vertaling).

Login